Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/12.2.3.3
12.2.3.3 Toerekening naar Nederlands recht
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS370017:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Idem.
Strikt genomen kan de vrijstelling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft ook zo worden gelezen dat er bij acting in concert sprake is van gelijktijdige verwerving van overwegende zeggenschap omdat er sprake is van gedeelde overwegende zeggenschap. Niet ieder voor zich verkrijgt overwegende zeggenschap, hetgeen bij wederzijdse toerekening het geval is, maar de betrokkenen gezamenlijk (variant III). Conceptueel moge dit aanspreken (in de praktijk zullen partijen niet zonder elkaar de controle kunnen uitoefenen), aangezien verder geen aanwijzingen bestaan dat voor deze benadering is gekozen en zij ook overigens problematisch is, laat ik haar verder buiten beschouwing.
NvT, Stb. 2008/27, p. 7. Deze vrijstelling was overigens aangekondigd voor de Tweede Nota van Wijziging (Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 8, p. 7), maar is dus even blijven liggen. Waarschijnlijk omdat men dit uiteindelijk liever bij AMvB wilde regelen, die op dat moment nog niet gereed was.
Een alternatieve verklaring – die in mijn ogen niet opgaat – is dat de Minister enkel heeft gedacht aan verticale toerekening: een holding houdt 30% van de stemrechten in een doelvennootschap via een door haar gecontroleerde tussenholding. In dat geval verwerft de holding exact hetzelfde belang als de tussenholding; de kwestie van de wederzijdse toerekening is hier niet aan de orde. Maar, uit de hiervoor genoemde aankondiging van de vrijstelling (Kamerstukken II, 2005/06, 30 419, nr. 8, p. 7) blijkt dat de Minister niet enkel aan dit geval gedacht. Dat blijkt ook uit het feit dat de reikwijdte van de vrijstelling van art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft ruimer is dan alleen de verticale toerekening (zie nader § 15.2.6).
In gelijke zin: De Vlaam 2006, p. 601.
Aldus ook Josephus Jitta 2013 (Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht Effectenrecht), art. 5:71, aant. 2h.
Vooropgesteld moet worden dat uit art. 5:70 lid 1 Wft niets valt op te maken over toerekening. Dat bepaalt immers enkel dat degene die – alleen of in onderling overleg – overwegende zeggenschap verwerft, een bod moet uitbrengen. Ook uit de acting in concert-definitie wordt slechts duidelijk dat de stemrechten moeten worden toegerekend, niet aan wie. De eerste benadering (wederzijdse toerekening) lijkt al met al de sterkste papieren te hebben. Wat dit betekent voor de vraag op wie van de samenwerkende partijen de biedplicht rust, komt in § 13.4 uitgebreid aan de orde.
I. In beginsel: wederzijdse toerekening
Het uitgangspunt van de wederzijdse toerekening volgt mijns inziens in de eerste plaats uit de vrijstellingsregeling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft. Op grond hiervan is enkel degene die de meeste stemrechten kan uitoefenen biedplichtig en zijn de overige leden van het samenwerkingsverband vrijgesteld (§ 13.4.3 en § 15.2.5). Uit de Memorie van Toelichting volgt dat deze vrijstelling, hoewel daarvoor niet specifiek geschreven, ook geldt bij acting in concert.1 Dit pleit voor wederzijdse toerekening. Immers, als er geen sprake zou zijn van wederzijdse toerekening valt niet in te zien waarom bij acting in concert sprake is van gelijktijdige verwerving van overwegende zeggenschap. Dit speelt alleen als men aanneemt dat alle samenwerkende partijen – ieder voor zich en daarmee tegelijkertijd – overwegende zeggenschap verwerven. Dit wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis waar ter rechtvaardiging van deze vrijstelling is opgemerkt dat “het niet nodig is om de biedplicht op alle personen te leggen”2.3
Wederzijdse toerekening lijkt ook te volgen uit de vrijstelling van art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit overnamebiedingen Wft, welke ziet op de verwerving van overwegende zeggenschap binnen een groep. Als gevolg van het onweerlegbare vermoeden uit de onderling overleg-definitie van art. 1:1 Wft moeten de stemrechten binnen de groep worden toegerekend. Echter, indien een groepsonderdeel als bieder wordt aangewezen is de rest vrijgesteld van de biedplicht (zie nader § 15.2.6). Er is gekozen voor een afzonderlijke regeling, die afwijkt van art. 5:71 lid 1 sub h Wft, omdat:
“Deze uitzondering [art. 5:71 lid 1 sub h Wft, JHLB] […] evenwel niet van toepassing [is] indien twee personen gelijktijdig overwegende zeggenschap verkrijgen en het aantal aan de zeggenschap verbonden stemrechten voor beide personen gelijk is. Het was echter onwenselijk dat de verplichting tot het uitbrengen van een bod in een dergelijke situatie ook zou rusten op verkrijgers die met elkaar in een concernverband zijn verbonden.”4
De Minister zegt hier niet waarom de biedplicht zou rusten op alle verkrijgers van overwegende zeggenschap binnen een concern. Als dat is omdat er sprake is van wederzijdse toerekening binnen een concern als gevolg van het onweerlegbare vermoeden van onderling overleg, hetgeen volgens mij de enige logische verklaring hiervoor kan zijn5, rijst onmiddellijk de vraag of wederzijdse toerekening dan niet eveneens leidt tot niet-toepasselijkheid van art. 5:71 lid 1 sub h buiten concernverhoudingen (zie sub II).
II. Wederzijdse toerekening en het meeste stemrechten-criterium van art. 5:71 lid 1 sub h Wft
Wederzijdse toerekening is lastig te verenigen met het reeds genoemde “meeste stemrechten-criterium” van art. 5:71 lid 1 sub h Wft. Strikt genomen kan bij wederzijdse toerekening niemand de meeste stemrechten uitoefenen vanwege de fictie dat na toerekening iedere betrokkene evenveel stemrechten kan uitoefenen.6 Iets soortgelijks speelt bij het criterium gehanteerd in de vrijstelling voor toetreding tot een krachtens overgangsrecht vrijgesteld samenwerkingsverband (art. 2 lid 5 Vrijstellingsbesluit; waarover § 15.2.2.3). Een van de voorwaarden voor die vrijstelling is dat de tot het samenwerkingsverband behorende “andere [dan de toetreder, JHLB] personen dan wel enkele van deze personen gezamenlijk” in elk geval vanaf 28 oktober 2007 onafgebroken overwegende zeggenschap hebben. Als op grond van wederzijdse toerekening moet worden aangenomen dat de oorspronkelijke deelnemers aan het samenwerkingsverband gezamenlijk overwegende zeggenschap houden valt niet in te zien hoe daarnaast “enkele van deze personen gezamenlijk” nog overwegende zeggenschap kunnen houden.
De enige uitweg is volgens mij dat bij de berekening van de meeste stemrechten geen rekening wordt gehouden met toerekening als gevolg van onderling overleg. Er is dan feitelijk sprake van twee “telrondes”: na wederzijdse toerekening in het kader van de vaststelling of de bieddrempel is overschreden (eerste ronde), wordt gekeken wie voor welk deel daarin een aandeel had (tweede ronde). In het voorbeeld: na de eerste telronde worden A, B en C op grond van wederzijdse toerekening geacht ieder 30% van de stemrechten uit te kunnen oefenen. Bij de tweede telronde, om vast te stellen op wie de biedplicht rust, wordt niet meer wederzijds toegerekend via de acting in concert-regels.7 De biedplicht zal dus rusten op A, die 15% houdt.
Dit is natuurlijk niet ideaal. In de eerste plaats, aan de hiervoor reeds genoemde vrijstelling van art. 2 lid 2 Vrijstellingsbesluit Overnamebiedingen Wft ligt de gedachte ten grondslag dat binnen een groep sprake is van wederzijdse toerekening en dat daarom de vrijstelling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft geen toepassing vindt (zie sub I). Hieruit blijkt dat de wetgever – in ieder geval voor dit specifieke geval – niet is uitgegaan van de hiervoor gesuggereerde “twee telrondes-oplossing”. De enige reden waarom daarvan dan wel zou moeten worden uitgegaan bij het normaaltype acting in concert (buiten concernverhoudingen) zou dan zijn dat anders de vrijstelling van art. 5:71 lid 1 sub h Wft nooit van toepassing is. Hoewel ik denk dat dit op zichzelf een goede reden is, moet men zich realiseren dat hier wel het uiterste van het rechtsvindende vermogen van de OK wordt gevraagd. Het is maar de vraag of zij zonder wettelijke basis en zonder duidelijke aanknopingspunten in de parlementaire geschiedenis zover zal willen gaan. Een andere oplossing, die mijn voorkeur heeft, is het vervangen van het meeste stemrechten-criterium, waartegen verschillende bezwaren bestaan, door een materieel zeggenschapscriterium (§ 15.2.5.3).