Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/9.3.1:9.3.1 Duidelijkheid over de gelding van een regel
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/9.3.1
9.3.1 Duidelijkheid over de gelding van een regel
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS412602:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Richtlijn 2003/123/EG, PbEG 13 januari 2004, nr. L7/41, V-N 2004/10.13 tot wijziging van Richtlijn 90/435/EEG, V-N 1990, p. 2861, punt 8.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 18 december 2004, nr. CPP2004/2730M, V-N 2005/5.12.
Wet van 19 januari 2006, Stb. 2006/44.
Vgl. NOB-commentaar bij het wetsvoorstel van 14 april 2005.
Aanwijzing 240 AR.
Heukels 1990, p. 41 en par. 5.6.5.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Duidelijkheid over de aanvang en het einde van de gelding van een regel is vereist om de belastingplichtige duidelijkheid te verschaffen over zijn rechtspositie. De aanvang van gelding van een regel wordt bepaald door de inwerkingtredingsdatum. In par. 2.2.1 is reeds aan de orde geweest dat in belastingwetten vaak een concrete inwerkingtredingsdatum wordt genoemd. Als een concrete datum ontbreekt, wordt de datum vaak nader vastgesteld bij koninklijk besluit of is bepaald dat de inwerkingtreding plaatsvindt op de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van bekendmaking. Nadere vaststelling bij koninklijk besluit heeft als nadeel dat niet bekend is binnen welke termijn de inwerkingtreding aanvangt, terwijl de inhoud van de nieuwe wet reeds vaststaat. Gelet op het vereiste van duidelijkheid over de gelding van een regel dient inwerkingtreding bij koninklijk besluit mijns inziens daarom in beginsel te worden vermeden.
Bijzondere aandacht vraagt in dit verband de implementatie van Europese richtlijnen in de nationale wetgeving. Indien niet tijdig tot implementatie wordt overgegaan, ontstaat een rechtsonzekere situatie. Als voorbeeld noem ik de implementatie van de Europese richtlijn die diende ter verbetering van de moeder-dochterrichtlijn van 1990.1 Deze wijzigingsrichtlijn is in werking getreden op 2 februari 2004 en diende vóór 1 januari 2005 in nationale wetgeving te worden omgezet. Omdat deze datum niet is gehaald, heeft de staatssecretaris van Financiën bij besluit van 18 december 2004 aangegeven hoe voorafgaand aan de implementatie met de richtlijn dient te worden omgegaan.2 Uiteindelijk is de wet tot implementatie van de gewijzigde moeder-dochterrichtlijn op 3 februari 2006 met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2005 in werking getreden.3 In de periode van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn tot aanname van de implementatiewet door de Eerste Kamer is er geen duidelijkheid geweest over de gelding van de nieuwe regel. Dit is extra bezwaarlijk ten aanzien van de periode waarin een rechtstreeks beroep op de richtlijn reeds mogelijk was. Het besluit van de staatssecretaris bood in dit kader enigszins een tegemoetkoming, doch bood geen volledige zekerheid aangezien nog geen sprake was van een wettelijke verankering van de wijzigingsrichtlijn.4
In tegenstelling tot duidelijkheid over de aanvang van gelding van een regel, is duidelijkheid over de einddatum van gelding in mindere mate van belang. De meeste wettelijke regels zijn in beginsel onbeperkt geldig. Indien een nieuwe regel slechts een wijziging aanbrengt in een reeds bestaande regel, behoeft de bestaande regel niet te worden ingetrokken. De regel blijft voortbestaan en blijft derhalve gelden, slechts zijn inhoud is op één of meer punten gewijzigd. Het overgangsrecht bepaalt in die situatie vanaf welk moment en op welke feiten en toestanden de nieuwe regel van toepassing is. Indien een wet volledig wordt vervangen, wordt die wet uitdrukkelijk ingetrokken.5 Een bepaling in de nationale wetgeving die in strijd is met het Europese recht, moet uit het nationale recht worden geschrapt. Dit geldt ook wanneer het rechtssubject zich rechtstreeks op het toepasselijke EU-recht kan beroepen.6 Duidelijkheid over de einddatum van gelding wordt in dergelijke situaties met name bepaald door de rechtspraak (zie par. 5.6.5).