Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/42.4
42.4 Bestuurlijke handhaving
mr. dr. D.G.J. Sanderink, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. D.G.J. Sanderink
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 73-74.
Zie Kamerstukken II 2003/04, 29702, 3, p. 73-74.
Zie bijv. HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286, AB 2018/27 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik (kentekenherkenning), CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB: 2016:947, AB 2016/329 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, Gst. 2016/86 m.nt. Stijnen (inzet van peilbaken) en CRvB 13 september 2016, ECLI:NL: CRVB:2016:3479, AB 2017/47 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, Gst. 2017/33 m.nt. Feenstra en Tollenaar (inzet van videocamera). Zie ook O.J.D.M.L. Jansen, ‘Koudwatervrees in een bananenkoninkrijk? Over de toekomstbestendigheid van titel 5.2 Awb’, JBplus 2017/0, p. 92-94 en 105.
Zie bijv. EHRM 3 april 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0403JUD006261700, NJ 2007/617 m.nt. Dommering (Copland/VK), par. 46, EHRM 6 december 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:1206JUD004208605, EHRC 2008/33 m.nt. Woltjer (Liu/Rusland), par. 56 en EHRM 18 oktober 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD 006183810 (Vukota-Bojić/Zwitserland), par. 67.
Sinds de inwerkingtreding van de Awb heeft de bestuursrechtelijke handhaving een hoge vlucht genomen. De bestuursrechtelijke handhaving van regelgeving is steeds verder uitgebreid om het strafrechtelijke handhavingsapparaat te ontlasten en een oplossing te bieden voor het zogenaamde ‘handhavingstekort’.1 In dit verband zijn bij de derde tranche in 1998 de lasten onder bestuursdwang en dwangsom en vervolgens bij de vierde tranche in 2009 ook de bestuurlijke boete in hoofdstuk 5 van de Awb geregeld.2 Door de toename van de bestuursrechtelijke handhaving en de voortschrijdende ontwikkeling van (technologische) toezichtmethoden speelt steeds vaker de vraag of het op grond van het EVRM niet noodzakelijk is dat diverse toezichtmethoden een specifieke wettelijke basis en regeling krijgen (net als de specifieke regeling van opsporingsbevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering). Genoemde voortschrijdende ontwikkeling van toezichtmethoden heeft de rechter inmiddels al een aantal keren doen oordelen dat de huidige wettelijke regeling voor zo’n methode (die op dit moment vaak niet meer dan een algemene taak- of bevoegdheidsomschrijving bevat) geen voldoende wettelijke basis biedt en dat een meer speci-fieke en precieze wettelijke regeling noodzakelijk is.3 De reden hiervan is dat de inzet van die toezichtmethoden vaak een aantasting van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven tot gevolg heeft. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM zijn dergelijke aantastingen slechts toelaatbaar, indien de aantastende overheidsmaatregel (onder meer) berust op en in overeenstemming is met een nationale rechtsregel die toegankelijk en voldoende precies is (wetmatigheidsvereiste). Volgens die rechtspraak betekent dit onder meer dat de rechtsregel een adequate indicatie moet geven van de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder een overheidsorgaan van de bevoegdheid tot het nemen van een aantastende overheidsmaatregel gebruik mag maken.4 Het is denkbaar dat in de toekomst een meer specifieke wettelijke regeling van diverse toezichtmethoden in hoofdstuk 5 van de Awb opgenomen wordt teneinde aan deze EVRM-rechtelijke eisen te voldoen, met dien verstande dat de toekenning van bepaalde toezichtbevoegdheden aan bepaalde bestuursorganen in de bijzondere wet zal dienen plaats te vinden.