Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.5.1:6.8.5.1 Criteria OCA
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.8.5.1
6.8.5.1 Criteria OCA
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS452858:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is afhankelijk van de groep landen die een monetaire unie willen gaan vormen, of de voordelen opwegen tegen de nadelen. De OCA-theorie geeft criteria om vast te stellen welke regio geschikt is om één munt te gebruiken. Er zijn drie oorspronkelijke, economische criteria, en drie aspecten die meer politiek van aard zijn.1
Een eerste eis is dat de landen die één munt willen gaan gebruiken, een hoge mate van arbeidsmobiliteit moeten hebben. Dit criterium is afkomstig van de econoom Mundell, die in 1999 onder meer vanwege het ontwikkelen van de OCA-theorie de Nobelprijs voor de Economie toegewezen kreeg.2 Als land A de vraag naar producten ziet afnemen, zullen bij een hoge mate van arbeidsmobiliteit tussen land A en land B werknemers van land A naar land B verhuizen om daar aan het werk te gaan. Land A voorkomt zo werkloosheid, terwijl land B prijsstijgingen tegengaat. Indien land A en B één munt gebruiken, is devaluatie niet alleen niet meer mogelijk, maar bij een hoge mate van arbeidsmobiliteit ook niet meer nodig. Bij grote culturele verschillen tussen landen (denk alleen al aan het spreken van een andere taal) zal de arbeidsmobiliteit snel beperkt blijven.
Het tweede criterium van de OCA-theorie, afkomstig van Kenen, stelt dat landen die één munt willen gaan gebruiken, een grote diversiteit moeten hebben in hun productie en export, terwijl vergelijkbare producten worden geproduceerd.3 Bij een grote verscheidenheid in productie, is een land minder gevoelig voor een afname van de vraag naar één product, waardoor de kans op een asymmetrische schok minder groot wordt. Bovendien zal, indien beide landen vergelijkbare producten produceren, een eventuele schok eerder symmetrisch dan asymmetrisch zijn. Hierdoor treden er geen verschillen op tussen de economische positie van de landen, wat het makkelijker maakt om één monetair beleid te voeren.
Het zogeheten McKinnon-criterium stelt ten slotte dat landen die erg open staan voor handel en die veel handel met elkaar drijven, eerder een OCA vormen dan staten waarbij dat niet het geval is.4
De genoemde drie criteria zijn gericht op het omgaan met en het voorkomen van asymmetrische schokken. De laatste drie, meer politieke, criteria hebben echter een andere insteek. Zij benadrukken vooral het belang van samenwerking indien een asymmetrische schok voorkomt.5 Ten eerste wordt gesteld dat landen die afgesproken hebben om elkaar te compenseren bij asymmetrische schokken een OCA kunnen vormen. Ten tweede zouden deze landen overeenstemming moeten hebben bereikt over de vraag hoe om te gaan met dergelijke economische schokken. Zij dienen zogenoemde homogene voorkeuren te hebben. Tot slot moeten deze landen solidair met elkaar zijn, hetgeen betekent dat een land bereid moet zijn om de kosten te dragen voor het gezamenlijke doel van één munt.