Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.6.1
VII.6.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242891:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Deze paragraaf is een bewerking van C.D.J. Bulten & N. Kreileman, ‘De dans ontspringen door decharge?’, in: G. van Solinge e.a. (red.), Aansprakelijkheid van bestuurders en commissarissen. Nadere terreinverkenning in een uitdijend rechtsgebied, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 417-444.
HR 25 juni 2010, NJ 2010, 373; JOR 2010/227 m.nt. Wezeman (De Rouw/Dingemans q.q.). Zie eerder A-G Hartkamp in zijn conclusie bij HR 20 oktober 1989, NJ 1990, 308 m.nt. Maeijer (Ellem): “decharge betreft het ontslag uit aansprakelijkheid voor gepleegde handelingen”.
In de vorige paragrafen heb ik het aansprakelijkheidsrisico van de niet-uitvoerende bestuurder in kaart gebracht. Een belangrijke verdedigingswal ontbreekt nog in deze analyse. In deze paragraaf sta ik stil bij het fenomeen ‘decharge’.1 Wat houdt decharge nu precies in? Decharge is niets meer en niets minder dan een ‘ontslag van aansprakelijkheid’, aldus de Hoge Raad in De Rouw/Dingemans q.q.2 Verleent de vennootschap de niet-uitvoerende bestuurder decharge, dan kan zij hem dus in beginsel niet meer aanspreken wegens een onbehoorlijke vervulling van zijn taak. In beginsel, want de reikwijdte van decharge is beperkt. Ik kom hier in § VII.6.4 op terug.