De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.2.5:4.8.2.5 Hoger onderwijs
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.2.5
4.8.2.5 Hoger onderwijs
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949672:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 7.13 van de Whw.
Artikel 7.6 van de Whw.
Artikel 9.18, vijfde lid jo. 9.31, vierde lid en 10.3c, vierde lid jo, 10.17, derde lid, van de Whw.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Net als in het middelbaar beroepsonderwijs legt het bevoegd gezag in het hoger onderwijs in de Oer vast welk onderwijs wordt gegeven en welke examens daaraan zijn verbonden.1 In de Whw is, anders dan in de Web, uitgebreid beschreven welke onderwerpen de Oer moet bevatten. Het gaat voor wat betreft de examens en tentamens onder meer om de eindtermen, de studielast, het aantal tentamens, de volgtijdelijkheid van de tentamens, de momenten waarop de tentamens kunnen worden afgelegd, de wijze waarop de tentamens worden afgenomen, de termijn waarbinnen de uitslag bekend wordt en de termijn waarbinnen de student inzage kan verkrijgen in zijn beoordeelde tentamen. In de Oer moet de gang van zaken omtrent de examens en tentamens dan ook in detail beschreven worden. Het bevoegd gezag heeft een grote mate van beleidsruimte om hier een eigen invulling aan te geven.
Het hoger onderwijs onderscheidt zich van het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs doordat de eindtermen van de opleiding niet zijn vastgesteld in een kwalificatiedossier of wet- en regelgeving. Het bevoegd gezag in het hoger onderwijs bepaalt zelf de eindtermen van de opleiding en op welke wijze deze eindtermen geëxamineerd worden. Academische vrijheid heeft immers ook een institutionele dimensie op basis waarvan hoger onderwijsinstellingen onder meer zelf hun onderwijs mogen vorm geven. Wel is bepaald dat de opleiding ingedeeld moet worden in een samenhangend geheel van onderwijseenheden. Onderwijseenheden zijn gericht op doelstellingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden waarover de afgestudeerde dient te beschikken, zij worden afgesloten met een tentamen.2 Deze doelstellingen zijn de eindtermen van de opleidingen. De onderwijseenheden en de eindtermen van de opleiding worden door het bevoegd gezag vastgelegd in de Oer.3 Indien de opleiding is gericht op een specifiek beroep waarvoor bij of krachtens de wet beroepsvereisten zijn vastgesteld, dan dienen de eindtermen van de opleiding in elk geval te bestaan uit die beroepsvereisten.4
Het bevoegd gezag heeft een grote mate van beleidsruimte om zelf te bepalen welke kennis, inzicht en vaardigheden de student moet verwerven gedurende de opleiding. In het verlengde daarvan kan het ook bepalen welk onderwijs wordt gegeven en welke tentamens worden afgenomen. Anders dan in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs zijn er in het hoger onderwijs geen centrale examens, alle tentamens worden dan ook opgesteld, afgenomen en beoordeeld door de betreffende hogeschool of universiteit zelf. Door middel van de Oer kan het bevoegd gezag bepalen hoe deze tentamens eruit komen te zien, welke stof wordt getentamineerd en welk onderwijs daaraan voorafgaat.
De opleidingscommissie heeft instemmingsrecht op onder meer het deel van de Oer dat ziet op de eindtermen, de inhoud van de opleiding en de examens.5 Met het instellen van de opleidingscommissie heeft de wetgever beoogd de rol van studenten bij de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs te versterken.6 De opleidingscommissie bestaat voor de helft uit studenten en voor de helft uit personeel.7 In eerste instantie had de opleidingscommissie enkel adviesrechten, sinds 2017 heeft zij ook instemmingsrechten zodat ze mee kan beslissen over belangrijke onderdelen van de OER.8 Het bevoegd gezag moet dan ook sindsdien instemming van de opleidingscommissie hebben bij het vaststellen en wijzigen van de eindtermen en de inhoud van de opleiding, examens en tentamens.