Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/6.2.4
6.2.4 Betaalverzuimboete aangiftebelastingen (art. 67c AWR)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940485:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 19 lid 2 onderdeel b AWR. Het gaat om gevallen waarin er over hetzelfde of een aansluitend tijdvak min of meer gelijktijdig een verzoek aanhangig is gemaakt om teruggaaf van belasting.
Art. 67c lid 4 AWR. Zie voor een voorbeeld (in het kader van de vergrijpboete van art. 67f AWR): Hof Arnhem-Leeuwarden 23 mei 2018, V-N 2018/31.22, r.o. 4.10-4.13. Uit deze overwegingen volgt dat het moment waarop het verzoek is gedaan, medebepalend is voor het moment waarop het beboetbare feit is begaan.
HR 2 februari 2000, BNB 2000/135.
Bestanddelen
Vanwege de verwijzing naar ‘de in de belastingwet gestelde termijn’1 in de delictsomschrijving kan er pas sprake zijn van een betalingsverzuim wanneer:
(bij tijdvakbelastingen) het tijdvak waarover de belasting moet worden voldaan of afgedragen, is verstreken, dan wel
(bij tijdstipbelastingen) er een tijdstip is geweest waarop de belastingschuld is ontstaan;
en de reguliere termijn van een maand na het einde van dat tijdvak of dat tijdstip is verstreken
en – indien uitstel voor het doen van aangifte is verleend –
ook de duur van het uitstel voor het doen van aangifte is verstreken (deze wordt opgeteld bij de reguliere termijn van een maand)2
ofwel
niet (meer) aan de voorwaarden voor dat uitstel wordt of is voldaan;
en (bij tijdvakbelastingen) – indien uitstel van de voldoening of afdracht is verleend – de termijn van dat uitstel is verstreken.3
Er zijn dan drie mogelijkheden:
óf de betaling is na het verstrijken van de (uitstel)termijn helemaal niet gedaan,
óf de betaling is na het verstrijken van de (uitstel)termijn niet in zijn geheel gedaan,
óf de betaling is wél (volledig) gedaan, maar pas na het verstrijken van de toepasselijke (uitstel)termijn.
Met geheel of gedeeltelijk niet betalen wordt volgens art. 20 AWR gelijkgesteld het geval waarin (naar aanleiding van een gedaan verzoek) ten onrechte of tot een te hoog bedrag vrijstelling of vermindering van inhouding, dan wel teruggaaf van belasting is verleend. In die gevallen kan de inspecteur dus ook naheffen. Deze gelijkschakeling werkt door naar de betaalverzuimboete van art. 67c AWR. De verzuimboete kan dus ook worden opgelegd als er achteraf bezien om een te hoge vrijstelling, vermindering, of teruggaaf is verzocht, die vervolgens ook is verleend.4
Opmerkingen
In art. 19 lid 1 AWR, waarin de betalingsverplichting is geregeld, wordt een rechtstreekse koppeling gemaakt met de aangifte. De belastingplichtige of inhoudingsplichtige is namelijk verplicht om de verschuldigd geworden of ingehouden belasting ‘overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen’. Deze koppeling van de betaling aan de aangifte zou bij letterlijke lezing een eigenaardig effect kunnen hebben. Wanneer er geen aangifteplicht bestaat (omdat er geen uitnodiging tot het doen van aangifte is gedaan), zou er dan ook geen betalingsplicht bestaan, zelfs niet wanneer de verschuldigdheid van de belasting (op grond van de materiële heffingswet) helemaal niet ter discussie staat. Deze lezing is echter niet de juiste. De opvatting van de Hoge Raad is dat de verplichting tot betaling en de verplichting tot het doen van aangifte afzonderlijke verplichtingen zijn.5 Ook als er geen uitnodiging tot het doen van aangifte is gedaan, is de belastingplichtige dus gehouden om de betaling te verrichten.
Verder kan ook de rechtsgrond voor het doen van de betaling (de voldoening of afdracht) als zodanig ter discussie worden gesteld. Als die ontbreekt, dan kan er immers geen sprake zijn van een niet, niet volledig of niet tijdig gedane betaling. In theorie zal daarom zo nodig ook moeten worden bewezen dat de verschuldigdheid van de belasting inderdaad voortvloeit uit de relevante materiële heffingswet. Als die verschuldigdheid wordt betwist, zal die discussie in de praktijk echter al in de sfeer van de heffing worden gevoerd (bijvoorbeeld in het kader van de naheffingsaanslag). Als blijkt dat er geen belasting verschuldigd is, kan er uiteraard ook geen sprake meer zijn van een betaalverzuim.