Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/15.3.6
15.3.6 Wraking
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940709:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Afdeling 8.1.4 Awb, art. 8:15 Awb e.v..
Zie voor enkele voorbeelden HR 14 november 2014, V-N 2014/59.6, BNB 2015/46, Hof Amsterdam 19 januari 2016, V-N 2016/14.6, Hof Den Haag 23 december 2015, V-N 2016/14.5.
Vgl. in dit verband HR 21 september 2010 (strafkamer), NJ 2010/520 en HR 19 december 2014 (belastingkamer), V-N 2015/2.11. Vgl. ook de Redactie Vakstudie-Nieuws in haar aantekening bij Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2015, V-N 2015/33.12.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 11 maart 2015, V-N 2015/33.12.
Die toets is wat het wrakingsinstrument betreft ook tot dat aspect (de onpartijdigheid) beperkt, zie HR 21 december 2018, V-N 2019/3.22, r.o. 2.5. Andere aspecten van het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op berechting door een impartial tribunal, zoals het vereiste van de onafhankelijkheid en een wettelijke grondslag, kunnen aan de orde worden gesteld in de hoofdzaak.
Zie onder meer EHRM 15 december 2005 (Kyprianou), nr. 73797/01, EHRM 6 oktober 2011 (Agrokompleks), nr. 23465/03, EHRM 12 januari 2016 (Miracle Europe Kft), nr. 57774/13.
Zie ook het arrest over de aanwezigheid van reservisten bij de beraadslaging in raadkamer van (in het concrete geval: de strafkamer van) de Hoge Raad, HR 21 december 2018, V-N 2019/3.22.
Het recht op een rechterlijke toetsing garandeert dat (uiteindelijk) een onpartijdige en onafhankelijke instantie een oordeel geeft over de boete. Waar de onpartijdigheid in het geding is, moet de boeteling deze ter discussie kunnen stellen. In het nationale bestuursprocesrecht is daarin voorzien door middel van het instrument van de wraking.1 Wanneer er een gerechtvaardigde vrees bestaat voor partijdigheid van de rechter, kan de rechtzoekende daarmee afdwingen dat een andere rechter zijn zaak gaat behandelen.2
Hoewel de wraking algemene gelding heeft voor zowel de heffing als de boete, zouden opnieuw verschillen kunnen ontstaan tussen de sfeer van de heffing en de boete. Er is echter weinig reden om te veronderstellen dat die verschillen zich daadwerkelijk voordoen. De belastingkamer van de Hoge Raad hanteert bij de beoordeling van wrakingsverzoeken bijvoorbeeld hetzelfde materiële toetsingskader als de strafkamer van de Hoge Raad.3 Wel toetsen wrakingskamers in zaken waarin tevens een boete speelt mede aan art. 6 EVRM.4 Dat betekent dat er in boetezaken een aanvullende toets moet plaatsvinden aan de eisen die art. 6 EVRM stelt aan de onpartijdigheid van de rechter die over de boete oordeelt.5 Kijkend naar de jurisprudentie van het EHRM over het wrakingsinstrument,6 lijkt het er echter op dat die eisen vrijwel overeenkomen met het nationaalrechtelijke kader.7