Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/4.3.2.1
4.3.2.1 De unieke zaak met enkel vermogensbelang
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657503:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, NJ 2018/141, m.nt. H.J. Snijders (Gemeente Heusden/X), r.o. 3.7.3.
De vordering wordt regelmatig ingesteld, maar om uiteenlopende redenen doorgaans afgewezen, zie Rb. Noord-Holland 24 januari 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:512; Rb. Noord-Holland 30 mei 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:4430, NJF 2018/378; Rb. Noord-Nederland 11 december 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:5158, RVR 2020/17; Rb. Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2018:3493, NJF 2018/516; Rb. Rotterdam 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7672; Rb. Rotterdam 27 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2380; Rb. Rotterdam 27 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2953. Ook bijzonder: Rb. Noord-Holland 13 november 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:8857, NJF 2019/617, waarin de rechtbank het niet opteren voor schadevergoeding in natura weliswaar aan de eiser laat, maar daarover opmerkt dat het zijn vordering in een ander daglicht plaatst (r.o. 4.17).
Zie hierover Verdam 2020. Maar zie ook Hof Amsterdam 30 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2817, RVR 2019/84, r.o. 3.7 waarin het hof geen ruimte ziet voor een belangenafweging. Typerend is ook juist de afwijzing in Rb. Rotterdam 19 juli 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:9336, RVR 2018/13 die vooral wordt gestoeld op het feit dat het nadeel van de gemeente in dat concrete geval goed gedekt kan worden door schadevergoeding in geld. Dat past goed bij de gedachte dat een goed iets meer moet vertegenwoordigen dan alleen een beleggingsfunctie.
Rb. Rotterdam 19 juli 2017, ECLI:N:L:HR:2017:9336, RVR 2018/13.
De vordering tot terugplaatsing stond centraal in Hof ’s-Hertogenbosch 24 juli 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3213 (Stacaravan) en Rb. Zwolle-Lelystad 22 februari 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:2187 (Woonwagenstandplaats). De vordering sneuvelde in beide gevallen op andere gronden, maar in abstracto lenen deze gevallen zich goed voor een schadevergoeding in natura.
Het verliezen van de eigen woning kan het best geremedieerd worden door de eigen woning terug te plaatsen. Met geld alleen komt immers ‘thuis’ niet terug. Het verliezen van een beleggingsobject daarentegen kan net zo goed geremedieerd worden door een schadevergoeding in geld: het geschonden belang is immers ook slechts een vermogensbelang.
Het algemene vereiste van art. 6:163 BW geldt net zo goed voor de schadevergoeding in geld als voor de schadevergoeding in natura.
Het meest recente voorbeeld van een veroordeling binnen deze categorie is door de Hoge Raad opgeworpen in Gemeente Heusden. Waar een eigenaar de eigendom is verloren doordat een ander twintig jaar aaneengesloten bezit van die eigendom heeft gehad, is hij in het algemeen aangewezen op schadevergoeding. De Hoge Raad wijst er in Gemeente Heusden op dat de eiser er in zo’n geval voor zou kunnen kiezen overdracht van het land bij wijze van schadevergoeding in natura te vorderen.1 Die redenering overtuigt in uitgangspunt: het gaat hier immers om het verlies van een unieke zaak die niet eenvoudig te vervangen is.2 Tegelijkertijd wordt de schadevergoeding in natura in de praktijk nog niet breed toegewezen in dit soort gevallen.3 En niet zonder reden.
Neem een geval dat speelde voor de Rechtbank Rotterdam. De gemeente Capelle aan den IJssel vorderde de overdracht van een strook groen die zij was verloren door verkrijgende verjaring. De Rechtbank wees die vordering af omdat de gemeente de strook enkel wilde gebruiken als groenvoorziening en de gedaagde de strook toch al op die manier gebruikte.4 Praktisch maakte het voor de gemeente dus weinig uit of zij de strook zelf in eigendom had, of dat de huidige eigenaar dat had. De gemeente had, met andere woorden, geen aanvullend belang dat afwijking van de hoofdregel van vergoeding in geld rechtvaardigde. Met andere woorden, het feit dat de zaak die de eiser is verloren, onroerend is, is an sich onvoldoende om tot schadevergoeding in natura te noodzaken; een aanvullend belang is vereist.
Bij unieke zaken zal zo’n belang eerder aan te wijzen zijn dan bij soortzaken, maar de cruciale vraag is er niet een naar de aard van de zaak. De cruciale vraag is er een naar het belang dat de eiser bij zijn vordering heeft en of dat belang beschermd werd door de geschonden norm. Is iemand bijvoorbeeld zijn woning verloren door onbevoegd handelen van een derde, –zoals in de praktijk wel voorkomt met de verwijdering van woonwagens5 – dan ligt bij gegrondbevinding van de vordering een schadevergoeding in natura veel meer voor de hand dan wanneer iemand een beleggingsobject door hetzelfde onbevoegde handelen is verloren.6 De vraag is steeds of (i) de geschonden norm in het concrete geval (evt. naast vermogensbelangen) een belang beschermde dat lastig op geld is te waarderen7 en (ii) dat belang ook daadwerkelijk geschonden is.