Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.3.2
12.3.2 Geen bewijslevering noodzakelijk: feiten van algemene bekendheid
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940398:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Omwille van de leesbaarheid gebruik ik in het navolgende ook wel alleen de aanduiding ‘feiten van algemene bekendheid’, waaronder ik dan ook algemene ervaringsregels begrijp, en vice versa.
Zie ook paragraaf 10.1.
Zie paragraaf 9.3.1 voor de onschuldpresumptie en paragraaf 9.3.4 en paragraaf 9.4.16 over het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt.
Ook Koopman heeft op dit aspect gewezen en opgemerkt dat wat in algemene zin vanzelfsprekend is, op detailniveau onjuist of onvolledig kan zijn, zie Schlössels e.a. 2009, p. 223.
In dezelfde zin: Niessen in zijn Conclusie bij HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, par. 8.23 e.v.. Hof Den Haag 10 juli 2018, V-N 2018/65.19, overwoog expliciet dat de constatering dat het van algemene bekendheid is dat verschuldigde omzetbelasting tijdig op aangifte moet worden voldaan, onvoldoende is om opzet te bewijzen (r.o. 7.6).
Zie hierover nader paragraaf 12.3.4.1.
Zie paragraaf 7.3.7.2. Dat laat overigens onverlet dat zulks niet wenselijk is.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 243. In paragraaf 12.3.4.1 kom ik hierop terug.
Dat is op zichzelf niet verwonderlijk, aangezien het oordeel over de aanvaardbaarheid van bewijsmiddelen is overgelaten aan de verdragsstaten, zie paragraaf 10.1.
ECRM 18 oktober 1995 (Honsik), nr. 25062/94.
Zie bijvoorbeeld Hof ’s-Hertogenbosch 2 juni 1995, V-N 1996, p. 1817, r.o. 3.1 en Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5, r.o. 23.
Zie HR 20 maart 2020, V-N 2020/18.26.4 (art. 80a Wet RO). In de casus die aanleiding gaf tot dit arrest hadden rechtbank en Hof algemeen bekend verondersteld dat bij de ter beschikkingstelling van (bestel)auto’s in beginsel een sluitende kilometeradministratie moet worden bijgehouden om een bijtelling te voorkomen. Dat de boeteling dat niet had gedaan, maakte dat er sprake was van de voor grove schuld vereiste ernstige nalatigheid.
Zie bijvoorbeeld HR 11 januari 2011 (strafkamer), NJ 2011/116, waarin onder meer ter discussie stond of het van algemene bekendheid is dat de afkorting ACAB staat voor All Cops Are Bastards. De Hoge Raad bepaalde dat het mogelijk moet zijn om zulks te betwisten en dat de rechter een gemotiveerde betwisting daarvan niet naast zich neer kan leggen. Zie voor de fiscale vereisten paragraaf 7.3.7.2.
Doorgaans ging het om de betekenis van dergelijke feiten voor het bewijs van zuivere heffingsvraagstukken, zie HR 6 februari 1985, BNB 1986/101, HR 4 juni 1986, BNB 1986/250 en HR 21 oktober 1987, BNB 1987/332.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11 en 4.12.
HR 25 november 2011, V-N 2011/62.5, BNB 2012/28, NTFR 2011/2789, r.o. 3.3, HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4, onder (ii).
In de KBLux-zaken kwalificeerden de gegevens van (een meerderheid van) de meewerkers volgens de Hoge Raad daarom niet als algemene ervaringsregel, zie HR 25 november 2011, V-N 2011/62.5, BNB 2012/28, NTFR 2011/2789, r.o. 3.2. Vgl. ook HR 28 september 2012, V-N 2013/8.8 (het Hof had expliciet opgemerkt dat het bij zijn oordeel geen gebruik had gemaakt van de gegevens van meewerkers, zie Hof Leeuwarden 8 november 2011, V-N 2012/11.25.7, r.o. 4.40).
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207.
Zie voor een nadere beschouwing van het arrest en de precieze betekenis van de gehanteerde ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid paragraaf 10.4.2.1 en paragraaf 10.4.3.
In deze zin ook: Pechler in zijn noot bij HR 28 juni 2013, BNB 2013/207, punt 8.
Vgl. in dit verband de rol die het zwijgen van de boeteling (in verband met het nemo tenetur-beginsel) als bewijsmiddel kan vervullen, zie paragraaf 10.2.4. Ook Wijsman heeft aandacht besteed aan de in de literatuur gesignaleerde spanning die bestaat tussen het gebruik van ervaringsregels en het nemo tenetur-beginsel (het leveren van tegenbewijs kan gepaard gaan met zelfbelasting), zie Wijsman 2017, par. 17.9.3.
Zie paragraaf 10.3.7. Vgl. voor wat betreft het gebruik van vermoedens als bewijsmiddel ook paragraaf 13.3.5.3.1.
Aldus ook: A-G Niessen in zijn Conclusie bij HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, par. 8.13.
Soms was ook nog een eigen verklaring van de boeteling (bijvoorbeeld over het moment van openen of opheffen van de KBLux-rekening) beschikbaar.
Zie met name r.o. 3.11.1-3.11.4 van HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207 (inzake de opzet), alsmede r.o. 4.6.5 van de Hofuitspraak die aan het arrest voorafging. Zie voorts paragraaf 12.3.4.1.
Zie bijvoorbeeld Albert in zijn noot bij HR 25 november 2011, BNB 2012/28, punt 5. Ook A-G Niessen heeft zich bij meerdere gelegenheden behoorlijk kritisch uitgelaten over de in de KBLux-zaken gehanteerde ervaringsregel, en daarbij aangegeven dat deze wat hem betreft ongeschikt is om tot bewijs voor de boete te dienen, zie zijn Conclusie bij HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, paragraaf 8.23, 8.33 en 8.34, alsmede zijn Conclusie van 30 mei 2013, V-N 2013/34.13. Niessen heeft overigens ook de ervaringsregel die de Hoge Raad in de KBLux-zaken heeft gehanteerd, als zodanig bestreden.
HR 7 september 1988, BNB 1988/298, r.o. 4.3 (het betrof overigens volgens het toenmalige stelsel een zogeheten ‘ordeboete’, zie paragraaf 3.4.1-3.4.2). Deze beslissing is in lijn met de opvatting van de Hoge Raad dat AVAS bij verzuimboetes een perifere stelling is. In mijn optiek is dat evenwel anders, zie paragraaf 9.4.1.2.
In paragraaf 7.3.7.2 is naar voren gekomen dat ter zake van feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels geen afzonderlijke bewijslevering noodzakelijk is. Dergelijke feiten en regels zijn voor ieder normaal ontwikkeld mens kenbaar, boven iedere discussie verheven, en zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke bronnen te achterhalen. De vraag is of feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels1 ook als bewijsmiddel voor de fiscale bestuurlijke boete kunnen worden aangevoerd, en zo dat het geval is, of daarvoor aanvullende voorwaarden gelden.
Bewijs van de centrale stellingen
Voor de centrale stellingen geldt dat de bewijslast volledig op de inspecteur rust. De wijze waarop hij daaraan voldoet, staat hem gelet op de vrije bewijsleer echter volkomen vrij.2 Dat betekent dat het aanvoeren van een feit van algemene bekendheid door de inspecteur in beginsel kan bijdragen aan het bewijs van het begaan van het beboetbare feit.
Op het eerste oog laat de onschuldpresumptie zich echter lastig rijmen met het gebruik van algemeen geldende argumenten. Datzelfde geldt voor het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt.3 Naar hun aard doen dergelijke feiten en regels immers geen uitspraak over het handelen of nalaten van de boeteling in het concrete geval.4 Eventuele twijfel daaromtrent moet bovendien in het voordeel van de boeteling werken. Wanneer de inspecteur louter naar feiten van algemene bekendheid zou verwijzen, bewijst hij nog niet dat de boeteling de betreffende gedraging inderdaad persoonlijk heeft verricht.5 Het gebruik van feiten van algemene bekendheid als bewijsmiddel kan ook in botsing komen met het recht om zich behoorlijk te verdedigen. De boeteling moet in dat kader (onder meer) de gelegenheid krijgen om zich te verweren tegen alle bewijsmiddelen die de vervolgende autoriteit hanteert.6
Ook de rechter kan een feit van algemene bekendheid aan zijn beslissing ten grondslag leggen, zelfs als dat feit niet door een van de partijen naar voren is gebracht. Naar Nederlands fiscaal bewijsrecht is het in de sfeer van de heffing mogelijk dat hij partijen daarmee confronteert op een moment dat zij zich daarover niet meer kunnen uitlaten (bijvoorbeeld in de uitspraak).7 Dat is in de boetesfeer echter niet toegestaan, omdat de boeteling zich ook daartegen moet kunnen verweren.8
De rechtspraak van het EHRM biedt geen concrete aanknopingspunten voor wat betreft het gebruik van feiten van algemene bekendheid als bewijsmiddel in boetezaken.9 Wel heeft de ECRM eens overwogen dat zulks binnen het kader van een fair hearing in beginsel is toegestaan.10 In de lagere nationale rechtspraak lijkt het gebruik van feiten van algemene bekendheid min of meer stilzwijgend te worden geaccepteerd, zonder dat daaraan bijzondere voorwaarden worden gesteld.11 Het lijkt erop dat de Hoge Raad dit (stilzwijgend) aanvaardt.12 Ook in het Nederlandse strafrecht kunnen dergelijke feiten gebezigd worden voor het bewijs, onder vergelijkbare voorwaarden als welke gelden in het algemene fiscale bewijsrecht.13
De jurisprudentie van de Hoge Raad gaf op dit punt aanvankelijk weinig houvast.14 In het kader van de KBLux-affaire heeft de Hoge Raad op onderdelen duidelijkheid verschaft. In 2011 stelde de Hoge Raad voorop dat de inspecteur voor elk van de jaren het bewijs moet leveren dat de boeteling het beboetbare feit daadwerkelijk zelf heeft begaan.15 Het daartoe benodigde, aanvullende bewijs kan bestaan uit algemene ervaringsregels of feiten van algemene bekendheid. Vanwege die algemene gelding kunnen zij namelijk ook worden betrokken op de boeteling persoonlijk.16 Duidelijk werd dus dat de Hoge Raad het gebruik van algemene ervaringsregels op zichzelf aanvaardbaar acht als bewijsmiddel in boetezaken, ook als het om de centrale stellingen gaat. Wel overwoog de Hoge Raad daarbij nadrukkelijk, dat niet elke ervaringsregel algemene gelding heeft,17 hetgeen wel is vereist om als bewijsmiddel te kunnen dienen. Medio 2013 heeft de Hoge Raad de bewijsconstructie in KBLux-zaken nader uitgewerkt.18 In feite heeft de Hoge Raad daarbij bepaald dat het bewijs van het kale beboetbare feit (in casu: het vermoeden dat de boeteling ook in andere jaren dan het basisjaar inkomsten heeft genoten), kan worden ontleend aan een combinatie van de microfiche en de algemene ervaringsregel dat een eenmaal aanwezig, aanzienlijk banksaldo niet zomaar verdwijnt. Voor wat betreft het bewijs van de schuldgradatie (in casu: opzet) steunde de bewijsconstructie op een combinatie van de omstandigheid dat het banksaldo was aangehouden in een land met een bankgeheim en op het feit van algemene bekendheid dat aanzienlijke tegoeden en de vruchten daarvan moeten worden aangegeven.19
Naar mijn mening volgt uit dit alles, dat feiten van algemene bekendheid als bewijsmiddel voor de centrale stellingen kunnen worden gebruikt, mits zij zodanig algemeen geldend zijn dat daaruit redelijkerwijs volgt dat ook de persoonlijke situatie van de boeteling daardoor wordt bestreken, terwijl de boeteling voldoende gelegenheid heeft gehad om het algemeen geldende karakter ter discussie te stellen. Als aan die voorwaarden is voldaan, kunnen dergelijke feiten in mijn optiek alleen als steunbewijs worden gebruikt.20 Daarnaast is namelijk steeds ook ander, direct bewijs vereist, waarmee kan worden onderbouwd dat de boeteling het beboetbare feit inderdaad zelf heeft begaan. De persoonlijke betrokkenheid van de boeteling moet dus zijn terug te voeren op dat andere bewijs. Als ook aan deze voorwaarde is voldaan, kunnen feiten van algemene bekendheid de overtuigingskracht van dat andere bewijs versterken.21 In gevallen waarin ander, direct bewijs ontbreekt, hebben feiten van algemene bekendheid geen betekenis. Ik acht het vanwege de onschuldpresumptie en het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt namelijk onmogelijk om het bewijs van het begaan van het beboetbare feit louter te baseren op feiten van algemene bekendheid. Daar komt nog bij dat het bewijs van de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ moet worden geleverd, hetgeen mij evenzeer onmogelijk voorkomt zonder enig direct bewijs.22
Ook de Hoge Raad lijkt van een dergelijke opvatting uit te gaan, aangezien hij ervaringsregels in de KBLux-arresten uit 2011 heeft gekwalificeerd als aanvullend bewijs.23 In de KBLux-zaken was er ook inderdaad ander bewijs voorhanden, waaruit de betrokkenheid van de boeteling rechtstreeks volgde (de microfiche met daarop een aanzienlijk saldo ten name van de boeteling24). Onder die omstandigheden konden de algemene ervaringsregels dus als bewijsmiddel meewegen (in de vorm van steunbewijs). Wel kan worden betwijfeld of de boeteling wel in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld om de gehanteerde feiten van algemene bekendheid ter discussie te stellen.25
In de literatuur is het gebruik van feiten van algemene bekendheid als bewijsmiddel in boetezaken niet onomstreden. Vooral de bewijsconstructie waarbij aan een algemene ervaringsregel het vermoeden wordt ontleend dat ook de boeteling zelf iets beboetbaars heeft gedaan of nagelaten, is meermaals in twijfel getrokken.26
Bewijs van perifere stellingen
De inspecteur kan feiten van algemene bekendheid, behalve als steunbewijs ter onderbouwing van de centrale stellingen, ook gebruiken als regulier bewijsmiddel ten aanzien van door hem ingenomen perifere stellingen. Voor dergelijke stellingen gelden de bezwaren die voortvloeien uit de onschuldpresumptie of het hoogstpersoonlijke karakter van het verwijt niet. De rol van feiten van algemene bekendheid is bij perifere stellingen dan ook niet beperkt tot steunbewijs. Daarnaast kunnen zij dienstdoen als tegenbewijs van een door de boeteling ingenomen perifere stelling. De Hoge Raad heeft in een al wat ouder arrest betreffende een opgelegde verzuimboete bijvoorbeeld aangegeven dat de verwerping van een AVAS-verweer kan worden gegrond op een ervaringsregel of op een feit van algemene bekendheid.27