Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.3.3
12.3.3 Geen bewijslevering noodzakelijk: verjaring
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940777:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 67a tot en met 67f AWR. Zie voorts art. 67pa lid 2 AWR, waarin is geregeld dat de verjaringstermijnen in fiscalibus afwijken van de algemene regeling voor bestuurlijke boeten van art. 5:45 Awb.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.2.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, HR 10 juni 2011, V-N 2011/29.4, BNB 2011/250.
HR 2 juli 1986, BNB 1986/291.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.3.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.4 en 5.2.5.
In dezelfde zin: De Bont in zijn noot bij HR 10 juni 2011, BNB 2011/250 (punt 9). Rb Gelderland 14 september 2018, V-N 2018/67.20, r.o. 21, zag geen aanleiding om de boete ambtshalve te vernietigen, omdat de rechtbank – op grond van indirect bewijs – aannemelijk achtte dat de boeteling uitstel had gekregen voor het doen van aangifte (waardoor de aanslagtermijn en daarmee de termijn voor het opleggen van een boete zou zijn verlengd, zie art. 11 lid 3 en art. 16 lid 3 AWR). Naar mijn mening is dat erg kort door de bocht. Het ambtshalve onderzoek dat is vereist, strekt zich ten minste uit tot de vraag of het (vermeende) uitstel ook kenbaar was verleend (zie voor dit vereiste voor verlenging van de termijn HR 29 januari 1997, BNB 1997/159).
Aldus ook: A-G Wattel in zijn Conclusie voor HR 16 januari 2015, V-N 2015/7.6, BNB 2015/90, FED 2015/23, NTFR 2015/515, par. 5.4 en 7.7, en de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Midden-Nederland 3 oktober 2019, V-N 2020/18.23. Zie over vraagstukken van openbare orde nader paragraaf 7.3.4.4, paragraaf 7.3.10.3.3 en paragraaf 9.4.14.1.
HR 22 april 1998, BNB 1998/214.
HR 29 april 2011, V-N 2011/23.6, BNB 2011/249, r.o. 5.2.3, 5.2.6 en 5.2.7.
HR 10 juni 2011, V-N 2011/29.4, BNB 2011/250.
HvJ EU 8 september 2015, nr. C-105/14, V-N 2015/45.15, HvJ EU 5 december 2017, nr. C-42/17, V-N 2018/2.22.
De bewoordingen van het HvJ EU lijken een ruimere werking te suggereren dan alleen gevallen van BTW-fraude.
Vgl. in dit verband de reikwijdte van de arresten Sopropé en Kamino en Datema, die in paragraaf 7.3.7.3.1 en hierna in paragraaf 12.3.4.2 aan de orde komt.
De verjaringstermijnen zijn niet steeds afzonderlijk in de wettelijke boetebepalingen opgenomen.1 Veelal bestaat er een rechtstreekse koppeling met de bevoegdheid om een aanslag op te leggen via de zogenoemde gelijktijdigheidseis.2 Daaruit vloeit voort dat de bevoegdheid om een boete op te leggen vervalt door het verstrijken van de aanslagtermijn.3 In gevallen waarin koppeling met de aanslagoplegging niet mogelijk is, bevatten de wettelijke boetebepalingen een eigen verjaringstermijn, die waar mogelijk aansluit bij de afzonderlijk geregelde verjaringstermijn zoals die geldt voor de heffing waar de boete mee samenhangt.4 De Hoge Raad heeft in enkele arresten uit 2011 voor de bewijsvoering ten aanzien van de verjaring bij de fiscale bestuurlijke boete twee rechtsregels gegeven, die afwijken van hetgeen rechtens is in de sfeer van de heffing.5
1. Verjaringstermijnen bij boetes zijn van openbare orde
Voor wat betreft de heffing heeft de Hoge Raad in 1986 bepaald dat de verjaringstermijnen niet van openbare orde zijn.6 De belastingplichtige moet dus expliciet een beroep doen op de overschrijding van de wettelijke termijnen voor het opleggen van de aanslag. Doet hij dat niet, dan toetst de rechter niet ambtshalve en kan de aanslag ondanks de overschrijding gewoon in stand blijven. In de sfeer van boeteoplegging komt hieraan echter geen betekenis toe. De Hoge Raad wees op de regel in het strafrecht, vastgelegd in art. 70 lid 1 Sr, die inhoudt dat het vervolgingsrecht van rechtswege vervalt. Die regeling moet de strafrechter ambtshalve toepassen, ongeacht of de verdachte daarop een beroep heeft gedaan.7 Op grond van de wetsgeschiedenis van onder meer de Vierde Tranche van de Awb trok de Hoge Raad voor het fiscale boeterecht vervolgens een parallel met het strafrecht.8 Ook de belastingrechter moet daarom ambtshalve onderzoeken of de bevoegdheid om een boete op te leggen ten tijde van het opleggen ervan reeds was verstreken. Hij is niet alleen gehouden om ambtshalve te toetsen of de uit het dossier bekende feiten meebrengen dat een opgelegde boete is verjaard, maar moet daar ook zelfstandig onderzoek naar verrichten.9 Daarmee is de bewijspositie ten aanzien van verjaring bij boetes naar mijn mening gelijkgeschakeld met de bewijspositie zoals die geldt ten aanzien van vraagstukken van openbare orde.10
2. Afzien van een beroep op de verjaringstermijn is bij boetes niet mogelijk
In de praktijk komt het veelvuldig voor dat belastingplichtigen in overleg met de inspecteur afzien van een beroep op de geldende verjaringstermijnen. Voor de heffing is de belastingplichtige daaraan dan gebonden.11 Nu de verjaringstermijnen bij fiscale bestuurlijke boetes van openbare orde zijn, oordeelde de Hoge Raad dat de verplichte, ambtshalve toets van de rechter ook moet plaatsvinden als de boeteling afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring.12 Zelfs als de belastingplichtige in een overeenkomst belooft om later geen beroep te doen op overschrijding van de verjaringstermijn, kan hij daar dus voor wat betreft de boete niet aan worden gehouden. De Hoge Raad heeft deze rechtsregel nadien ook zelf toegepast door een Hofuitspraak waarin verzuimd was de boetes wegens overschrijding van de termijn te vernietigen, ambtshalve te casseren.13
EU-rechtelijke uitzondering op ambtshalve toepassing
In boetezaken met een EU-rechtelijke dimensie kan de zelfstandige onderzoeksplicht onder omstandigheden toch weer opzij worden gezet. Het HvJ EU heeft namelijk bepaald dat de verplichtingen die voortvloeien uit het EU-recht er onder omstandigheden toe kunnen leiden dat de nationale verjaringstermijnen buiten toepassing moeten blijven. Uit de betreffende arresten volgt dat de EU-lidstaten bij ernstige BTW-fraude hun nationale strafrechtelijke verjaringstermijnen buiten toepassing moeten laten, om zodoende doeltreffende en afschrikwekkende sancties te waarborgen.14 Het HvJ EU verwees hierbij uitvoerig naar de jurisprudentie van het EHRM en gaf ambtshalve aan dat het buiten toepassing laten van het nationale recht op het punt van de verjaring de rechten van de verdachte niet schendt. Naar mijn inschatting geldt het voorgaande in ieder geval ook voor de verjaringstermijnen ten aanzien van fiscale bestuurlijke boetes die samenhangen met naheffingsaanslagen omzetbelasting.15 Te denken valt ook aan boetes die samenhangen met andere belastingen, voor zover met de heffing van die belastingen uitvoering wordt gegeven aan het EU-recht.16 De rechter die ter zake van een boete een overschrijding van de verjaringstermijn constateert, zal dus in het achterhoofd moeten houden dat de eventuele EU-rechtelijke context de (ambtshalve) toepassing van de verjaringstermijn kan verhinderen.