Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.3.4
12.3.4 Hoor en wederhoor en het recht op een behoorlijke verdediging
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940356:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.7.3.1.
Feteris 2007, p. 372, Feteris 2002, p. 238.
Feteris 2002, p. 238.
Zie daaromtrent nader paragraaf 12.3.4.1 onder ‘Hoorplicht in boetezaken’.
EHRM 18 februari 1997 (Nideröst-Huber), NJ 1997, 590.
Feteris 2002, p. 239.
EHRM 27 oktober 1993 (Dombo Beheer), nr. 14448/88, NJ 1994, 534, par. 33, EHRM 5 april 2012 (Chambaz), nr. 11663/04, FED 2012/77, NTFR 2012/1225, par. 62-67.
HR 9 april 2021, V-N 2021/17.20, r.o. 2.3.4. Zie ook paragraaf 7.3.6.2.1 en paragraaf 7.3.10.2 (bewijsgaring door de inspecteur onder toepassing van art. 47 e.v. AWR is in de beroepsfase niet langer toegestaan).
Zie Handelingen II 2009/10, p. 8072 (inzake het initiatiefwetsvoorstel waarbij de informatiebeschikking werd geïntroduceerd, waaromtrent nader in paragraaf 7.4.4.3.2).
Zie EHRM 5 november 2002 (Allan), NJ 2004/262, par. 43. Zie voorts Feteris 2002, p. 274-276.
Het Nederlandse fiscale procesrecht kenmerkt zich met betrekking tot de bewijsvoering door de inbedding van het beginsel van hoor en wederhoor. Beide partijen moeten kennis kunnen nemen van de voor de rechterlijke beslissing relevante feiten en omstandigheden, en bovendien de gelegenheid hebben gehad om zich daarover uit te laten. De ingebouwde waarborgen zijn erop gericht te voorkomen dat partijen voor verrassingen komen te staan.1
In de sfeer van de boeteoplegging is het gewicht van het beginsel van hoor en wederhoor nog groter dan in de sfeer van de heffing, omdat een ‘fair hearing’ zonder verankering van dat beginsel onmogelijk is. Art. 6 lid 3 EVRM garandeert in dit verband het recht op een behoorlijke verdediging, welk recht vereist dat de boeteling zich kan verdedigen tegen alle feitelijke en juridische aantijgingen en bewijsmiddelen die van overheidswege tegen hem in stelling worden gebracht.2 Aan de boeteling moet dus voldoende gelegenheid worden geboden om in te gaan op hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, of op datgene wat anderszins in zijn nadeel kan werken. Het gaat daarbij zowel om inhoudelijke als om procedurele aangelegenheden.3 De boeteling heeft bijvoorbeeld ook het recht om aanwezig te zijn bij een mondelinge behandeling van zijn zaak.4 Verder moet de boeteling voldoende tijd en faciliteiten krijgen om zijn verdediging voor te bereiden. Hoewel het verdedigingsrecht van fundamentele aard is,5 mogen er vanuit een oogpunt van een behoorlijke procesorde wel beperkingen worden opgelegd, zoals het stellen van reële termijnen voor het aanleveren van bewijs of het motiveren van bezwaar- en beroepschriften.6
Het verdedigingsrecht van art. 6 lid 3 EVRM ziet dus op het bieden van voldoende verweermogelijkheden tegen de ingebrachte beschuldiging. In de overkoepelende norm van de fair hearing van art. 6 EVRM ligt volgens het EHRM ook het beginsel van ‘equality of arms’ (gelijkheid der wapenen) besloten.7 Dit beginsel, dat ook als zodanig door de Nederlandse belastingrechter8 en de wetgever9 wordt erkend, garandeert de processuele gelijkheid van partijen voor de rechter. Beide partijen moeten evenveel gelegenheid krijgen om hun standpunt te onderbouwen, alsmede om het standpunt van de wederpartij te bestrijden.10 In het vervolg maak ik geen nadrukkelijk onderscheid tussen het beginsel van ‘equality of arms’ en het beginsel van hoor en wederhoor, aangezien de daaruit voortvloeiende rechtsnormen in het kader van de bewijsvoering sterk samenhangen. Ik duid ze vanaf hier ook gezamenlijk aan met de term ‘het recht op een behoorlijke verdediging’.
In het vervolg van deze paragraaf ga ik eerst na of het Nederlandse stelsel van bewijsvoering voldoet aan de eisen die daar op grond van art. 6 EVRM aan kunnen worden gesteld. Daarna sta ik kort stil bij het communautaire verdedigingsbeginsel.
12.3.4.1 Toetsing Nederlands stelsel van bewijsvoering aan art. 6 EVRM12.3.4.2 Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)