Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/13.3.3.1
13.3.3.1 De vraag naar de rangorde tussen de deelnemingsvrijstelling en de splitsingsfaciliteit
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491761:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dat geldt dan ook voor een eventueel in het kader van de splitsing ontvangen bijbetaling.
Zie ook De Vries, noot in BNB 2012/130, onderdeel 4.
Deze visie is uitgebreider behandeld door Van de Streek, Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.4.14.D.b3 (bijgewerkt 3-5-2021). Overigens wordt daarbij het standpunt ingenomen dat de deelnemingsvrijstelling voorgaat (visie 1). Huidink 2003, onderdeel 5.5.1.4.3, p. 154, lijkt van mening dat belastingplichtigen kunnen kiezen tussen het toepassen van de deelnemingsvrijstelling en de doorschuifregeling. Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.6.3, p. 410-411, schrijven dat de wetsgeschiedenis de toepassing van de doorschuifregeling niet lijkt uit te sluiten op een belang waarop de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Zij verwijzen daarbij naar een passage in Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 5, p. 3. Daarin gaat het over de aandelenfusiefaciliteit, meer specifiek over de toen voorgestelde wetssystematiek waarin die faciliteit slechts op verzoek kon worden toegepast. Later is dat aangepast in een keuzeregeling. Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 12. De wetgever geeft in de bedoelde passage aan dat bewust niet is gekozen voor een verplichte doorschuifregeling. De faciliteit zou dan aan de belastingplichtige worden opgedrongen en dat werd niet wenselijk geacht. Ik lees in de bewuste passage niet met zoveel woorden dat een lichaam/aandeelhouder volgens de wetgever vrij zou kunnen kiezen tussen enerzijds het toepassen van de deelnemingsvrijstelling (als die geldt) en anderzijds de aandelenfusiefaciliteit (als aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan). De crux van de passage is volgens mij dat áls een verplichte doorschuifregeling zou worden ingevoerd (quod non), deze als lex specialis zou voorgaan op de deelnemingsvrijstelling. Vgl. ook Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 7, p. 7.
Sterker nog, dat kan zelfs wenselijk zijn. Zie onderdeel 13.3.3.3.
De splitsing is voor de belastingplichtige een fictieve vervreemding ex art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.56, lid 1, Wet IB 2001. Beschikt de belastingplichtige over een deelneming in de splitsende rechtspersoon, dan rijst de vraag of de deelnemingsvrijstelling (geheel) van toepassing is.1 Zo ja, dan is het vervreemdingsresultaat (in zoverre) vrijgesteld.2 Het is de vraag of de belastingplichtige in deze gevallen (en in zoverre) toch de doorschuifregeling van art. 3.56, lid 2 en lid 3, Wet IB 2001 kan toepassen. Betoogd kan worden dat dit niet mogelijk is omdat de deelnemingsvrijstelling zonder keuzemogelijkheid (imperatief) wel of niet van toepassing is. De deelnemingsvrijstelling maakt een inbreuk op de totaalwinst van de belastingplichtige. Het vrijgestelde voordeel maakt dan evenmin deel uit van de jaarwinst, zodat in deze uitleg niet wordt toegekomen aan een doorschuifregeling die een inbreuk maakt op de jaarwinst, zoals de splitsingsfaciliteit (visie 1).3 Een andere visie kan ook worden verdedigd. Ook dan is het vertrekpunt dat de splitsing voor de belastingplichtige een fictieve vervreemding is. Vervolgens wordt de nadruk gelegd op het feit dat de belastingplichtige de belastingclaim kan doorschuiven op grond van de splitsingsfaciliteit. Kiest de belastingplichtige daarvoor, dan wordt in deze uitleg niet toegekomen aan de deelnemingsvrijstelling omdat een belast voordeel ontbreekt (visie 2).4 Volgens mij is de eerste visie juist (totaalwinst versus jaarwinst). Het lijkt mij echter geen probleem als de belastingplichtige op dit punt een keuzemogelijkheid heeft.5