Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/2.3.3
2.3.3 De Vogelrichtlijn
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS444934:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Backes e.a. 2006a, p. 488.
Richtlijn van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, nummer 79/409/EEG. Pb EG L 103. De richtlijn is laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (gecodificeerde versie), Pb EU L 20/7.
Vanwege de probleemstelling van dit onderzoek blijven andere onderdelen van de Vogelrichtlijn buiten beschouwing.
Dit zijn vogelsoorten die gedurende een periode van tien jaar maar enkele keren in Nederland zijn waargenomen.
Dit uitgangspunt blijkt uit HvJ EG 8 februari 1996, zaak 202/94 (Van der Feesten). De nationale bestuursrechter volgt deze lijn getuige ABRvS 5 juli 1999, M&R 1999, 150 (Rode Flamingo’s) en Rb Roermond 2 februari 2000, LJN: AA4932 (Roodkeelnachtegaal).
Het is onduidelijk wat onder dit begrip moet worden verstaan. Er bestaat geen richtsnoer van de Commissie of literatuur of jurisprudentie waarin deze kwestie aan de orde komt.
Freriks e.a. 2002, p. 43.
Backes e.a. 2006a, p. 489; Verschuuren 2001, p. 85 en Leefmans 1998, p. 267-269.
Backes e.a. 2006a, p. 489 en paragraaf 3.2 van het Verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand – Bijstelling voor de periode 1993-1995 op basis van de door lidstaten verstrekte informatie inzake de toepassing van nationale maatregelen die krachtens de richtlijn zijn genomen (Verslag COM 2000, 180) en paragraaf 3.2 van het Verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand – Bijstelling voor de periode 1996-1998 op basis van de door lidstaten verstrekte informatie inzake de toepassing van nationale maatregelen die krachtens de richtlijn zijn genomen (Verslag COM 2002, 146) en paragraaf 2.2.2. van het Verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand – Bijstelling voor de periode 1999-2001 op basis van de door lidstaten verstrekte informatie inzake de toepassing van nationale maatregelen die krachtens de richtlijn zijn genomen (COM 2006, 164). Genoemde verslagen zijn te vinden op de website www.europa.eu/scadplus/leg/nl/lvb/l28046.htm.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 23 februari 2003, zaak C-415/01, M&R 2006, 46 (Vlaanderen/ Commissie), HvJ EG 6 maart 2003, zaak C-240/00, JOM 2006, 871 (Finland/Commissie), HvJ EG 23 maart 2006, zaak C-209/04, M&R 2006, 60 (Oostenrijk/Commissie).
In HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-3/96, AB 1999, 403 (Commissie/Nederland) wordt Nederland in gebreke gesteld op grond van de IBA-89 lijst.
M.F. Heath, M.I. Evans, Important Bird Areas in Europe: priority sites for conservation, 2 vols., Bird Life International 2000.
De Vogelrichtlijn trad reeds in 1981 in werking.
HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-3/96, AB 1999, 403 (Commissie/Nederland).
Het Hof had zich al eerder over dezelfde rechtsvraag uitgelaten in HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-57/89, M&R 1992, 36 (Commissie/Duitsland ) en HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-44/95, M&R1996, 115 (Commissie/Finland).
Deze lijn werd kort daarop bevestigd in HvJ EG 18 maart 1999, zaak C-166/97, AB 1999, 274 (Commissie/Frankrijk).
HvJ EG 13 juni 2002, zaak C-117/00, JOM 2006, 728 (Commissie/Ierland) en Verschuuren 2001, p. 85.
Voor wat betreft de juridische status van de IBA-89 zie: HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-3/96, AB 1999, 403 (Commissie/Nederland). De rechtbank Leeuwarden heeft de IBA-94 als bewijsmiddel voor aanwijzing als Vrl-SBZ gebruikt. Zie Rb. Leeuwarden, 17 juli 1998, M&R 1998, p. 98 (Gasboringen Waddenzee). Het HvJ EG heeft zich niet over de juridische status van de IBA-94 uitgelaten. Gezien de overeenkomst qua opzet en inhoud met de IBA-89 is het aannemelijk dat aan de IBA-94 een vergelijkbare status toekomt.
HvJ EG 2 augustus 1993, zaak C-355/90, Jur. 1993, p. I-4221 (Marimas de Santana), HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-44/95, M&R 1996, 115 (Lappelbank) en Leefmans 1998, p. 269.
Hoog- en laagveengebieden.
Gebieden aangewezen als beschermd natuurmonument en/of in beheer bij een Natuurbeschermingsorganisatie.
Backes e.a. 2000, p. 9-10. De beoordelingsruimte voor de lidstaten vloeit voort uit HvJ EG 2 augustus 1993, zaak C-355/90, Jur. 1993, p. I-4221 (Marimas de Santana), HvJ EG 11 juli 1996, zaak C-44/95, M&R 1996, 115 (Lappelbank). Onder verwijzing naar deze arresten is het 100 ha-criterium geaccepteerd door de ABRvS. Zie ABRvS 19 maart 2003, no. 200201933/1 (Aanwijzing Vrl-SBZ Haringvliet) en meer recent in ABRvS 21 juli 2010, no. 200907172/1/R2 (Weigering aanwijzing Vrl-SBZ Borsele).
Backes e.a. 2000, p. 8-9.
HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-3/96, AB 1999, 403 (Commissie/Nederland), HvJ EG 20 maart 2003, zaak C-378/01, PB C 112, 10 mei 2003, p. 6 (Commissie/Italië) en HvJ EG 23 maart 2006, zaak C-209/04, M&R2006, 60 (Commissie/Oostenrijk).
Zie bijvoorbeeld het uitvoerige overzicht van Woldendorp 2007, p. 225.
HvJ EG 18 maart 1999, zaak C-166/97, AB 1999, 274 (Seinemonding).
HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-3/96, AB 1999, 403 (Commissie/Nederland).
Zie A-G 14 september 2006, zaak C-418/04 (Commissie/Ierland).
HvJ EG 19 mei 1998, zaak C-3/96, AB 1999, 403 (Commissie/Nederland) en HvJ EG 23 maart 2006, zaak C-209/04, M&R 2006, 60 (Commissie/Oostenrijk).
HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-57/89, M&R 1992, 36 (Leybucht).
HvJ EG 25 november 1999, zaak C-96/98, Jur. 1999, p. I-8531 (Poitevin Marsch). De staatssecretaris van EL&I heeft bij de EC om toestemming verzocht om op basis van ecologische criteria een aantal kandidaats Natura 2000-gebieden (Hrl-SBZ’s) bij nader inzien niet aan te wijzen. De EC heeft ingestemd met het verzoek om de gebieden Boddenbroek, Groot Zandbrink en Teeselinkven niet aan te wijzen. Zie de brief van de Staatssecretaris van EZ (d.d. 15 februari 2013, kenmerk: DGNR-PDN2000/12375152) aan de Tweede Kamer.
A.G. 14 september 2006, zaak C-418/04 (Commissie/Ierland).
HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-191/05, M&R 2007, 1 (Commissie/Portugal).
Woldendorp 2007a, p. 225-226 en M.K. de Bruin in de noot onder HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-191/05, Commissie/Portugal in M&R 2007, 1.
Verschuuren 2001, p.86 en Stcrt. 2000, 65.
In tegenspraak hiermee lijkt Woldendorp 2007b, p. 741. De stelling van de auteur dat belanghebbenden zelden met succes de aanwijzing van een gebied als Vrl-SBZ aanvechten wordt niet toegelicht.
ABRvS 19 maart 2003, No. 200201933/1 (Aanwijzing Vrl-SBZ Haringvliet), ABRvS 18 januari 2006, no. 200504268/1 (Aanwijzingsbesluit Vrl-SBZ Lauwersmeer) en ABRvS 18 januari 2006, no. 200504332/1 (Aanwijzingsbesluit Vrl-SBZ Waddenzee).
Aldus www.compendiumvoordeleefomgeving.nl, dossier habitat- en vogelrichtlijn onder het kopje ‘Voortgang implementatie Vogel- en Habitatrichtlijn’.
Zie HvJ EG 2 augustus 1993, zaak C-355/90, Jur. 1993, p. I-4221, Marimas de Santana en Rb. Leeuwarden 17 juli 1998, M&R 1998, p. 98 (Gasboringen Waddenzee).
Verschuuren 2001, p. 91-92.
HvJ EG 28 februari 1991, zaak C-57/89, M&R 1992, 36 (Leybucht).
Freriks e.a. 2002, p. 45 Ter illustratie en onderbouwing van deze stelling wordt verwezen naar ABRvS 20 februari 2000, M&R 2000, 122 (Bestemmingsplan buitengebied Brouwershaven), ABRvS 12 april 2001, M&R 2002, 76 (Wm-vergunning varkenshouderij Vortum-Mullem), ABRvS 3 oktober 2001, M&R 2001, Kort, 7K (Woonboot Ouder-Amstel) en ABRvS 21 juni 2001, JM 2001, 115 (Kaliwaal Druten).
De Habitatrichtlijn is de richtlijn van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna, nummer 92/43/EEG, PbEG L 206.
HvJ EG 7 december 2000, zaak C-374/98, Jur. 2000, p. I-10799 (Basses Corbières). Een recent voorbeeld is te vinden in HvJ EU 24 november 2011, zaak C-404/09, n.n.g. (Commissie/Spanje). In de onderhavige zaak werd Spanje veroordeeld wegens het niet nakomen van de verplichtingen uit artikel 6, tweede, derde en vierde lid met betrekking tot een aangewezen Vrl-SBZ.
Hiermee worden bedoeld de op de IBA-lijst opgenomen gebieden.
HvJ EG 7 december 2000, zaak C-374/98, Jur. 2000, p. I-10799 (Bases Corbières).
Verschuuren 2001, p. 88 en Freriks e.a. 2002, p. 44. Zie bijvoorbeeld: Rb. Leeuwarden 17 juli 1998, M&R 1998, p. 98 (Gasboringen Waddenzee), ABRvS 11 januari 2000, AB 2001, 301 (IJburg), ABRvS 10 februari 2000, JM 2000, 77 (Bestemmingsplan Buitengebied Brouwershaven) en ABRvS 31 maart 2000, AB 2000, 303 (Bestemmingsplan Texel).
Backes e.a. 2001, p. 480.
HvJ EG 13 december 2007, zaak C-418/04, M&R 2008, 13 (Commissie/Ierland) en HvJ EG 13 juli 2006, zaak C-191/05, M&R 2007, 1 (Commissie/Portugal).
In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw stond een groot aantal vogelsoorten op het punt van uitsterven. De belangrijkste oorzaken hiervoor waren het verdwijnen van geschikte habitats, en de jaarlijkse grootschalige slachtpartijen onder trekvogels in Zuid-Europa.1 In reactie hierop werd in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld.2 De richtlijn beoogt het uitsterven van vogelsoorten te voorkomen door middel van de bescherming van de leefgebieden van vogels, en het treffen van specifieke soortbeschermende maatregelen. Hiertoe bevat de richtlijn gebiedsbeschermende (artikel 3 en artikel 4 Vrl), en soortbeschermende bepalingen (artikel 5 t/m 9 Vrl). De artikelen 10 t/m 19 Vrl bevatten voorschriften met betrekking tot het onderzoek naar bescherming en beheer van vogels, de introductie van exoten, de inwerkingtreding van de richtlijn en de rapportageplicht van lidstaten aan de Europese Commissie. In deze paragraaf worden alleen de gebiedsbeschermende bepalingen geanalyseerd.3
Om de doelstelling van de Vrl te realiseren is het noodzakelijk om de leefgebieden van vogels te beschermen. Artikel 3, eerste lid Vrl is bepalend voor het toepassingsbereik van de Vogelrichtlijn: ‘Met inachtneming van de in artikel 2 genoemde eisen nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om voor alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te beschermen, in stand te houden of te herstellen’. De Vrl verplicht de EU-lidstaten tot bescherming van alle in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied.4 Het Hof van Justitie van de Europese Unie legt artikel 1 Vrl in de praktijk ruim uit. Ondersoorten van Europese vogelsoorten die buiten de EU voorkomen, maar ook dwaalgasten5, vallen onder de beschermende werking van de richtlijn.6Artikel 3, tweede lid Vrl bevat een opsomming van de manier waarop de bescherming van vogelsoorten kan plaatsvinden. De richtlijn noemt achtereenvolgens: de instelling van beschermingszones, onderhoud en ruimtelijke ordening in overeenstemming met de ecologische eisen van leefgebieden binnen en buiten de beschermingszones, en het herstel of weer aanleggen van vernietigde biotopen en de aanleg van biotopen. In de praktijk strekt de beschermende werking van de Vogelrichtlijn zich uit over bestaande, herstelde en nieuwe leefgebieden voor vogels.
Voor een bepaalde categorie vogelsoorten is het verplicht om speciale beschermende maatregelen te treffen. De vogelsoorten die het betreft zijn opgenomen in bijlage I van de Vrl. Het gaat om vogelsoorten die dreigen uit te sterven, die gevoelig zijn voor bepaalde wijzigingen in hun leefgebied, die als zeldzaam worden beschouwd omdat hun populatie zwak is, of omdat zij slechts plaatselijk voorkomen en vanwege de kenmerken van hun leefgebied specifieke aandacht behoeven. Ingevolge art. 4, eerste lid Vrl wijzen de lidstaten de − naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten − meest geschikte gebieden aan als speciale beschermingszones (hierna: SBZ’s). Artikel 4, tweede lid Vrl verplicht de EU-lidstaten tot het nemen van soortgelijke maatregelen ten aanzien van de niet in bijlage I genoemde, en geregeld voorkomende trekvogels.7 In dit verband moet vooral worden gedacht aan de broedgebieden, ruigebieden en rust- en overwinteringsgebieden voor deze trekvogels.8
De aanwijzing van de speciale (vogel) beschermingszones is van groot belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Vogelrichtlijn.9 Ondanks de concreet omschreven verplichtingen in de artikelen 3 en 4, eerste en tweede lid Vrl, bleef Nederland tot het einde van de vorige eeuw grotendeels in gebreke voor wat betreft de aanwijzing van speciale beschermingszones (hierna: Vrl-SBZ’s).10 Dit is geen typisch Nederlands verschijnsel, vrijwel alle EU-lidstaten schoten lange tijd te kort in de aanwijzing van Vrl-SBZ’s.11 Het HvJ EU heeft ook na 2000 nog verscheidende EG-lidstaten veroordeeld wegens het ten onrechte niet (correct) aanwijzen van gebieden als Vrl-SBZ.12 Rond de eeuwwisseling had Nederland nog steeds onvoldoende van dergelijke zones aangewezen.
Om de aanwijzing van vogelrichtlijngebieden te vergemakkelijken is door de EC in samenwerking met de toenmalige EG-lidstaten een lijst met daarop de belangrijkste Europese vogelgebieden, de Inventory of Important Bird Areas in the European Community (hierna: IBA), opgesteld. De eerste IBA–lijst dateert uit 1989, een tweede alleen voor Nederland geactualiseerde versie verscheen in 1994.13 In 2000 verscheen een geheel herziene versie van alle belangrijke Europese vogelgebieden.14 Ingevolge de criteria in de IBA-89 kwamen 90 Nederlandse gebieden in aanmerking voor de aanwijzing als Vrl-SBZ. Desondanks werd in de periode tot 1998 slechts aan 23 gebieden deze status toegekend.
In eerste instantie gaf de Nederlandse overheid weinig prioriteit aan het aanwijzen van Vrl-SBZ’s.15 De achterblijvende inspanning door Nederland hing in belangrijke mate samen met de interpretatie en toepassing van artikel 3 en 4 Vrl. In een aantal gevallen werd op grond van economische motieven en/of vanwege een snelle achteruitgang van vogelpopulaties afgezien van de aanwijzing van kwalificerende gebieden als Vrl-SBZ. Naar de mening van de EC was deze handelwijze in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de Vrl. In de daaropvolgende ingebrekestellingsprocedure (thans: verdragschendingsprocedure) werd Nederland door het HvJ EG veroordeeld wegens het niet nakomen van de Vrl.16 Net als in uitspraken van vergelijkbare zaken oordeelde het HvJ EG dat de selectie van Vrl-SBZ’s, en de vaststelling van gebiedsgrenzen, alleen kan plaatsvinden op basis van ornithologische (ecologische) criteria.17 Indien een gebied voldoet aan ornithologische criteria is de lidstaat verplicht het gebied in het geheel als Vrl-SBZ aan te wijzen.18 De achteruitgang van vogelpopulaties vormt geen argument om van beschermende maatregelen af te zien; de Vogelrichtlijn verplicht in dergelijke gevallen juist tot het herstel van biotopen of habitats.19
De veroordeling van Nederland had belangrijke gevolgen voor de toepassing van de Vrl. De beleidsruimte voor lidstaten bij de aanwijzing van SBZ’s werd verregaand beperkt. Indien een gebied zich op basis van ornithologische criteria kwalificeert, rust op de betrokken lidstaat de plicht om dit ‘meest geschikte gebied’ als SBZ aan te wijzen. Hierbij komt aan de lidstaat geen beleidsruimte toe. Bij de selectie en de aanwijzing van Vrl-SBZ’s was een belangrijke rol weggelegd voor de IBA-89 en IBA-94. Deze overzichten werden vastgesteld op basis van ornithologische criteria en bevatten een overzicht van de meest geschikte vogelgebieden. De vermelding van een gebied in de IBA-89 en/of de IBA-94 werd beschouwd als een juridisch ‘bewijsmiddel’ voor het aanwijzen van een gebied als Vrl-SBZ.20 Ondanks het voorafgaande is enige relativering van het juridische belang van de IBA-lijsten op zijn plaats. Het Hof heeft in een aantal zaken geoordeeld dat ornithologische criteria ‘enige’ beoordelingsvrijheid bevatten.21 Dat betekent dat er voor Lidstaten toch ruimte bestaat bij de aanwijzing van de meest geschikte gebieden, waarvan gebruik is gemaakt bij het vaststellen van de IBA-94. Deze, in opdracht van het Ministerie van LNV (thans: het Ministerie van EZ) opgestelde lijst, bevat een aanvullend criterium dat de aanwijzing van terrestrische gebieden22 als meest geschikte gebieden beperkt. Alleen gebieden met een formele natuurstatus23 en een grotere oppervlakte dan honderd hectare worden als Vrl-SBZ aangemerkt. Deze aanvullende eisen zijn gesteld om te voorkomen dat Laag_Nederland grotendeels als Vrl-SBZ moet worden aangewezen. Naar de mening van Backes zijn de aanvullende eisen niet direct te herleiden tot de bepalingen van de Vrl en de Hrl, maar valt de beperking wel binnen de ‘beoordelingsvrijheid’ van de Lidstaten.24 De plaatsing van een gebied op de IBA-lijst staat niet in alle gevallen garant voor het toekennen van een beschermde status. Het komt met enige regelmaat voor dat Lidstaten ten onrechte stellen dat een gebied niet geschikt is. In andere gevallen wordt op grond van sociaaleconomische motieven afgezien van de aanwijzing van gebieden. Overigens is het ook mogelijk om gebieden die niet op de IBA-lijst voorkomen aan te wijzen als Vrl-SBZ. Een dergelijk gebied moet op basis van de IBA-criteria behoren tot de meest geschikte vogelgebieden.25 Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan natuurgebieden die na de vaststelling van de IBA-lijst zijn ontstaan, en/of nadien geschikt zijn geworden voor bepaalde vogelsoorten. Het Hof heeft bepaald dat de IBA in juridische zin niet bindend is voor de EU-lidstaten. Het is dus mogelijk om Vrl-SBZ’s op basis van andere wetenschappelijke informatie aan te wijzen.26 Er zijn overigens geen voorbeelden bekend van lidstaten die met succes ‘andere’ informatie toepassen.27 Indien een gebied zich op grond van de IBA-lijst kwalificeert moet het hele gebied als Vrl-SBZ worden aangewezen. Het is niet toegestaan om bepaalde deelgebieden daarvan uit te sluiten.28 Het feit dat een ander (complementair) gebied wel is aangewezen verandert niets aan deze plicht.29 De omstandigheid dat een in bijlage I opgenomen vogelsoort verspreid, en in lage aantallen voor komt, is evenmin een reden om van aanwijzing als Vrl-SBZ af te zien.30 De aanwijzing van de meest geschikte gebieden als SBZ is evenmin een statische gebeurtenis. Gebieden die zich later alsnog kwalificeren moeten dan ook worden aangewezen.31 Het herroepen van een aanwijzingsbesluit of het verkleinen van een aangewezen Vrl-SBZ is slechts bij (hoge) uitzondering mogelijk. Uitgaande van de jurisprudentie van het HvJ EU is dat alleen mogelijk in de volgende gevallen:
Redenen van buitengewoon en algemeen belang
Het Hof hanteert op dit punt een restrictieve uitleg. Onder redenen van buitengewoon en algemeen belang worden verstaan maatregelen die samenhangen met het voorkomen van overstromingen en de bescherming van de (zee)kust. Dergelijke maatregelen moeten beperkt blijven tot het absoluut noodzakelijke, en leiden tot de kleinst mogelijke inkrimping van de Vrl-SBZ.32
Onjuiste interpretatie/toepassing ornithologische criteria
Ornithologische criteria zijn wel toegepast door de lidstaat, maar niet op een correcte manier. De Vrl-SBZ behoort bij nader inzien toch niet tot de meest geschikte gebieden.33
Achteruitgang van de vogelstand in de Vrl-SBZ
Deze uitzonderingsgrond wordt buitengewoon restrictief uitgelegd. Alleen in een situatie waarin een Lidstaat kan aantonen dat een gebied, onafhankelijk van mogelijke beschermingsmaatregelen, zijn geschiktheid heeft verloren.34 Alsdan kan er van een verkleining of de intrekking van een aanwijzingsbesluit sprake zijn.35 Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een vulkaanuitbarsting of klimaatverandering. Het Hof heeft zich overigens nog niet in concrete zin over de invulling van dit laatste criterium uitgelaten.36
Zoals gezegd verliep de aanwijzing van de Nederlandse Vrl-SBZ’s in eerste instantie moeizaam. De veroordeling door het Hof vormde een omslagpunt en werkte als katalysator. Nadien heeft de Nederlandse regering serieus werk gemaakt van de aanwijzing van Vrl-SBZ’s. Bij besluit van 3 april 2000 droeg de Minister van LNV op basis van de geactualiseerde IBA-94 nog eens 49 gebieden voor als Vrl-SBZ.37 Tegen dit besluit werden door belanghebbenden veel bezwaren ingediend. In de literatuur en de jurisprudentie zijn geen voorbeelden te vinden van bezwaar- en beroepsprocedures die hebben geleid tot het afvoeren van gebieden van de lijst en/of wezenlijke wijzingen van de begrenzingen van de Vrl-SBZ’s.38 Er zijn geen aanwijzingen dat de Minister van LNV bij de voordracht en aanwijzing van Vrl-SBZ’s in strijd met de Vogelrichtlijn heeft gehandeld. In een enkele zaak kwam de Afdeling tot het oordeel dat een alternatieve begrenzing mogelijk was geweest.39 Inmiddels is de aanwijzing van de Nederlandse Vrl-SBZ’s afgerond.40
De Vogelrichtlijn bevat, met uitzondering van artikel 4, vierde lid, geen voorschriften met betrekking tot het beheer van Vrl-SBZ’s. Om die reden is deze bepaling van belang voor de praktijk. Onder strikte voorwaarden kan zelfs sprake zijn van rechtstreekse doorwerking in de Nederlandse rechtsorde.41Artikel 4, vierde lid Vrl bepaalt dat:
‘De Lidstaten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voor zover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. Ook buiten deze beschermingszones zetten de Lidstaten zich in om vervuiling en verslechtering van de leefgebieden te voorkomen’.
Deze beschermingsplicht is van toepassing op Vrl-SBZ’s en op andere gebieden. In de tekst van de richtlijnbepaling springen de termen ‘passende maatregelen’ en ‘wezenlijke invloed’ in het oog. De Vrl geeft geen definitie of omschrijving van deze belangrijke begrippen. In de literatuur en de jurisprudentie is dat evenmin het geval.42 De formulering van artikel 4, vierde lid Vrl maakt duidelijk dat vervuiling, verslechtering en verstoring van leefgebieden van vogels niet per definitie is uitgesloten. Dit neemt niet weg dat het Hof heeft gekozen voor een strenge uitleg van deze bepaling. Vervuiling en verslechtering van een Vrl-SBZ is alleen toegestaan als sprake is van buitengewone redenen. Hieronder worden verstaan algemene belangen zoals de menselijke gezondheid, het gevaar voor overstromingen en de bescherming van de kust.43 In de literatuur zijn twijfels geuit ten aanzien van de hardheid van het beschermingsregime van art. 4, vierde lid Vrl. Sommige auteurs menen dat de Afdeling in voorkomende gevallen slechts summiere eisen stelt aan de toepassing van artikel 4, lid 4 Vrl.44 Naar huidig recht is de juridische waarde van deze bepaling beperkt. Sinds de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn45 vallen alle aangewezen Vrl-SBZ’s op basis van artikel 7 van deze richtlijn onder het beschermingsregime van artikel 6 Hrl.46 Alleen gebieden die zich kwalificeren als Vrl-SBZ maar nog niet zijn aangewezen vallen onder de werking van artikel 4, vierde lid Vrl.47 In Nederland zijn ondertussen alle kwalificerende gebieden aangewezen als Vrl-SBZ. Het maakt voor de praktijk wel uit welk beschermingsregime van toepassing is. In het kort daarover het volgende:
Artikel 6, vierde lid Hrl en artikel 4, vierde lid Vrl bevatten beide een mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een inbreuk te maken op de beschermde status van de Vrl-SBZ’s. De uitzonderingsclausule van artikel 6 Hrl is veel ruimer gesteld. De Vrl staat alleen inbreuken toe op basis van ‘buitengewone redenen’. In de Habitatrichtlijn wordt gesproken over ‘dwingende redenen van groot openbaar belang’ met inbegrip van redenen van sociale en economische aard. De toepassing van het ‘gunstige’ regime van artikel 6, vierde lid is door het Hof beperkt tot gebieden die zijn aangewezen tot Vrl-SBZ. De ratio is dat lidstaten geen voordeel mogen halen uit de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn.48 In oudere jurisprudentie van de Afdeling zijn enkele voorbeelden te vinden van situaties waarin op wel gekwalificeerde, maar niet krachtens de Vogelrichtlijn aangewezen gebieden, ten onrechte artikel 6, vierde lid Hrl werd toepast.49 In het (recente) verleden werd aangenomen dat lidstaten vanwege het mildere regime van artikel 6, vierde lid Hrl in de toekomst meer werk zouden maken van het aanwijzen van Vrl-SBZ’s.50 Desondanks zijn er in de jurisprudentie van het HvJ EU nog altijd voorbeelden te vinden van lidstaten die worden veroordeeld wegens het ten onrechte niet aanwijzen van gebieden die zich kwalificeren als Vrl-SBZ.51