Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/6.2.2
6.2.2 De zaak Eco Swiss/Benetton
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS575200:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
NAT nr. 1325.
NAI nr. 1325, 4 februari 1993.
Hoogervorst 2001, p. 93.
De genoemde uitspraken zijn tevens geannoteerd door Van Rossum, JOR 1997, 74; Drion 1997, p. 181-186; Meijer 1999, p. 61-65; De Ly, TvA 1999, p. 100-108; Mok 1999, p. 337-339; Shelkoplyas, SEW 2000, p. 344-349; Hoogervorst 2001, p. 93-98; Jongbloed 2000, p. 92-96; De Boer 2003, p. 50-57; Teuben 2005, p. 1352-1355; en Zippro 2005b, p. 1368-1372.
Zie hiervoor bijvoorbeeld Sanders 2001, p. 147-148 en p. 207. Zie ook G.J. Meijer, TvA 1999, p. 108-113 en TvA 2000, p. 131-136. In een tweede arbitrage vordert Benetton schadevergoeding van Eco Swiss en Bulova op de grond dat Eco Swiss en Bulova een aantal verplichtingen uit de licentieovereenkomst zou hebben geschonden (NAL nr. 1616). Zie HR 25 februari 2000, NI 2000, 508 m.nt. HJS (Benetton/Eco Swiss & Bulova) .
Zie r.o. 4.5 van HR 21 maart 1997, NJ 1998, 207 m.nt. HJS (Eco Swiss/Benetton) .
HvJ EG 14 december 1995, gevoegde zaken C-430/93 en C-431/93 (Van Schijndel en Van Veen), Jur. 1995, p. 1-4705, NJ 1997, 116 m.nt. P.J. Slot en HJS onder HR 22 december 1995, NJ 1997, 118.
Zie voor deze vragen r.o. 8.2 van het arrest.
Zie voor een toepassing van deze beslissing Hof Amsterdam 12 oktober 2000, NJ kort 2000, 92, TvA 2001, p. 184, m.nt. DA (Sesam/Betoncentrale Twenthe c.s.) .
In 1986 sluit Benetton International NV (gevestigd te Amsterdam) voor de productie en verkoop van uurwerken een licentieovereenkomst voor de duur van acht jaar met Eco Swiss China Time Ltd. (gevestigd te Hong Kong) en Bulova Corporation (gevestigd te New York). Eco Swiss en Bulova krijgen het recht om uurwerken te maken en te distribueren onder de merknaam 'Benetton by Bulova'. Een bepaald territorium wordt exclusief voorbehouden aan Eco Swiss. Bulova krijgt een ander gedeelte van de markt toegewezen. In 1991 wordt de licentieovereenkomt door Benetton opgezegd. Eco Swiss en Bulova starten vervolgens een arbitrageprocedure bij het Nederlands Arbitrage Instituut (onder nummer 1325), nu in de licentieovereenkomst arbitrage volgens het reglement van het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) is overeengekomen.1 Zij vorderen schadevergoeding van Benetton wegens de opzegging door Benetton van de tussen partijen gesloten licentieovereenkomst. Het scheidsgerecht veroordeelt bij gedeeltelijk eindvonnis, het 'Partial Final Award' (PFA), Benetton tot vergoeding van schade.2 Benetton heeft de overeenkomst niet rechtsgeldig opgezegd en dient de overeenkomst voor de volle duur na te komen en de geleden schade aan EcoSwiss en Bulova te vergoeden, aldus het scheidsgerecht.3 In het arbitrale eindvonnis (het 'Final Arbitral Award', hierna: FAA-1325) veroordeelt het scheidsgerecht Benetton vervolgens tot betaling van een schadevergoeding aan Eco Swiss en Bulova van respectievelijk 24 miljoen dollar (US$ 23 750 000) en 4 miljoen dollar (US$ 3 800 000). Nadat het FAA-1325 was gewezen heeft Benetton (i) op grond van artikel 1068 Rv herroeping van de beide arbitrale vonnissen gevorderd; (ii) op grond van artikel 1065 Rv vernietiging van beide arbitrale vonnissen gevorderd; (iii) in beide procedures schorsing van de tenuitvoerlegging van het FAA-1325 verzocht (op de voet van artikel 1068 lid 2 resp. artikel 1066 lid 2 Rv). Het schorsingsverzoek in de rekest-civielprocedure heeft geleid tot HR 21 maart 1997, N11998, 206. Het schorsingsverzoek in de vernietigingsprocedure heeft, na de beantwoording door het HvJ EG van prejudiciële vragen, geleid tot HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340 m.nt. HJS (Eco Swiss/Benetton).4 De vordering tot vernietiging op grond van artikel 1065 Rv is van belang voor de verhouding arbitrage en Europees recht. Op de andere procedure wordt hier verder niet ingegaan.5
In de vernietigingsprocedure wordt door Benetton aangevoerd dat genoemde arbitrale vonnissen in strijd zijn met de openbare orde als bedoeld in artikel 1065 lid 1 sub e Rv, omdat de licentieovereenkomst die door Benetton met Eco Swiss en Bulova was gesloten in strijd is met (toen nog) artikel 85 EG-Verdrag (inmiddels artikel 81 EG; in het navolgende wordt steeds aan artikel 81 EG gerefereerd). De overeenkomst beoogde namelijk een verdeling van de markt tot stand te brengen.
In het arbitraal geding was door partijen geen beroep gedaan op strijd met artikel 81 EG. Arbiters hebben in de arbitrageprocedure de vraag of de licentieovereenkomst in strijd is met artikel 81 EG niet ambtshalve betrokken in hun overwegingen. Naar Nederlands burgerlijk procesrecht brengt dit mee dat de vraag of de licentieovereenkomst in strijd is met artikel 81 EG niet voor het eerst in het kader van de vernietigingsprocedure aan de orde kon worden gesteld, aldus de Hoge Raad.6 Voorts verwijst de Hoge Raad naar het arrest van het HvJ EG in de zaak Van Schijndel,7 waarin is beslist dat het gemeenschapsrecht de rechter niet ertoe verplicht ambtshalve artikel 81 EG toe te passen wanneer hij daarvoor de hem naar nationaal procesrecht toekomende lijdelijkheid zou moeten verzaken door buiten de rechtsstrijd van partijen te treden en zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die bij die toepassing belang heeft, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd. Hoewel de Hoge Raad uit dit arrest afleidt dat het bepaalde in artikel 81 EG geen dwingend recht van een zo fundamenteel karakter oplevert dat strijd met deze bepaling een arbitraal vonnis vernietigbaar maakt wegens strijd met de openbare orde als bedoeld in artikel 1065 lid 1 sub e Rv, acht hij het aan redelijke twijfel onderhevig of de beslissing van het HvJ EG in de Van Schijndel-zaak ook geldt voor arbiters. De Hoge Raad stelt daarom een aantal prejudiciële vragen aan het HvJ EG.8 Het HvJ EG geeft in zijn uitspraak van 1 juni 1999, NJ 2000, 339 m.nt. HJS (Eco Swiss/Benetton) antwoord op een aantal door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen. De zaak werd op basis van dit antwoord beslist door HR 25 februari 2000, NJ 2000, 340 m.nt. HJS (Eco Swiss/Benetton).
Op de vraag van de Hoge Raad of een nationale rechter een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis moet toewijzen wanneer dat vonnis naar zijn oordeel inderdaad in strijd is met artikel 81 EG, ofschoon hij volgens de regels van zijn nationale procesrecht een dergelijke vordering enkel op een beperkt aantal gronden kan toewijzen, waaronder strijd met de openbare orde — hetgeen volgens het toepasselijke nationale recht in het algemeen niet reeds het geval is, indien door de inhoud of de uitvoering van het arbitrale vonnis een verbodsbepaling van het nationale mededingingsrecht buiten toepassing blijft —, overweegt het HvJ EG als volgt (r.o. 36-37):
'(...) art. 81 EG [vormt] evenwel een fundamentele bepaling die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap en in het bijzonder voor de werking van de interne markt. Het belang van deze bepaling heeft de opstellers van het Verdrag ertoe gebracht, in art. 81, lid 2, uitdrukkelijk te bepalen, dat de door dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten van rechtswege nietig zijn. Daaruit volgt, dat wanneer een nationale rechter volgens de regels van zijn nationale procesrecht een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op grond van strijd met nationale regels van openbare orde moet toewijzen, hij dat ook moet doen ingeval een dergelijke vordering is gebaseerd op schending van het in art. 81, lid 1, EG neergelegde verbod.'9