Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.7.1
2.7.1 Leden en aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491433:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Volders, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:334e BW, aantekening 1 (bijgewerkt 22 februari 2019) en Buijn & Storm 2013, onderdeel 12.7.1, p. 578.
De zeven uitzonderingen hebben vrijwel allemaal betrekking op de NV en de BV. De eerste uitzondering geldt echter ook voor een moeder-dochterafsplitsing met een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij als afsplitsende rechtspersoon. In die splitsingsvariant krijgen de leden van een afsplitsende vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij geen aandelen toegekend in de verkrijgende NV of BV. Zie onderdeel 2.8.3, onder i. Voorts wijs ik op de in (art. 2:53a jo.) art. 2:36, lid 4, BW neergelegde mogelijkheid op grond waarvan een lid zijn lidmaatschapsrecht met onmiddellijke ingang kan opzeggen binnen een maand nadat hem een besluit tot splitsing is meegedeeld.
Vgl. ook Slagter & Assink 2013, hoofdstuk 14, onderdeel 123, p. 2480-2481.
Zie de vorige voetnoot.
Zie Stb. 2012, 300.
Zie ook Roelofs & Van Eck in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 6.2.3.
Als hoofdregel geldt dat de leden of aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon door de splitsing lid of aandeelhouder worden van alle verkrijgende rechtspersonen (art. 2:334e, lid 1, BW). Dit gebeurt van rechtswege. Participeert een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij als verkrijgende rechtspersoon in een splitsing, dan betekent dit onder meer dat het bestuur niet beslist over de toelating als lid. Is de verkrijger een NV of BV, dan houdt het van rechtswege worden van aandeelhouder in dat sprake is van een toekenning van aandelen en niet van een uitgifte van aandelen.1 Het aantal aandelen dat een aandeelhouder van de splitser in de onderscheidenlijke verkrijgers toegekend krijgt, is afhankelijk van de ruilverhouding (art. 2:334f jo. art. 2:334y, onderdeel a, BW). De genoemde hoofdregel kent zeven uitzonderingen als gevolg waarvan – toegespitst op NV’s en BV’s2 – een aandeelhouder van de splitsende rechtspersoon niet in alle verkrijgende rechtspersonen aandelen krijgt toegekend:3
Als de verkrijgende rechtspersonen NV’s of BV’s zijn die bij de splitsing zijn opgericht, terwijl de splitsende rechtspersoon daarvan bij de splitsing alle aandelen krijgt toegekend. Zie art. 2:334e, lid 3, onderdeel a, BW.
Bij een ruziesplitsing ex art. 2:334cc BW in welk geval de onderscheiden (groepen van) aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon aandeelhouders worden van de onderscheiden verkrijgende rechtspersonen. Zie art. 2:334e, lid 3, onderdeel b, BW.
Bij een driehoekssplitsing in de zin van art. 2:334ii BW in welk geval een groepsmaatschappij van de verkrijgende rechtspersoon – en dus niet de verkrijger zelf – aandelen toekent aan de aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon. Zie art. 2:334e, lid 3, onderdeel b, BW.
Op grond van de vastgestelde ruilverhouding bestaat voor (een) (kleine) aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon geen recht op een aandeel in de verkrijgende rechtspersoon. Zie art. 2:334e, lid 3, onderdeel c, BW. Dergelijke aandeelhouders worden gecompenseerd in de vorm van contanten of een vordering.
Voorafgaande aan de splitsing worden door, of voor rekening van, een verkrijgende rechtspersoon aandelen gehouden in de splitsende rechtspersoon.4 Deze verkrijger verkrijgt als gevolg van de splitsing dus geen eigen aandelen. Zie art. 2:334e, lid 2, BW.
Vóór de splitsing worden door, of voor rekening van, de splitsende rechtspersoon eigen aandelen gehouden: art. 2:334e, lid 2, BW.5 Deze splitser verkrijgt als uitvloeisel van de splitsing geen aandelen in de verkrijger(s). Overigens geldt deze uitzondering niet als deze eigen aandelen tot het vermogen behoren dat in het kader van de splitsing overgaat naar een verkrijgende rechtspersoon. In zo’n geval moet deze verkrijger aandelen toekennen aan ofwel de aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon6, ofwel aan de splitsende rechtspersoon zelf bij – kort gezegd – een splitsing binnen groepsverband. Vgl. punt 1 hiervóór.7
Art. 2:334ee1 BW is van toepassing. Deze bepaling bevat een uittreedrecht en is ingevoerd als gevolg van de flexibilisering van het BV-recht.8 Een verkrijgende rechtspersoon, of in het geval van een driehoekssplitsing: een groepsmaatschappij van de verkrijger, is een NV. De splitsende rechtspersoon is een BV die stemrechtloze of winstrechtloze aandelen kent. In zo’n geval kan het splitsingsvoorstel bepalen dat de houders van dergelijke aandelen geen recht hebben op aandelen in de verkrijgende NV. Deze aandeelhouders kunnen in dergelijke gevallen een verzoek tot schadeloosstelling indienen.9