Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.1:3.1 Inleiding
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297956:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Onder ‘product’ in afd. 6.3.3 BW wordt verstaan een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel is gaan vormen van een andere roerende of onroerende zaak, alsmede elektriciteit (art. 6:187 lid 1).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staat de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179 en die van de bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:181 centraal: op wie rust een kwalitatieve aansprakelijkheid wanneer de door deze artikelen bestreken zaken bedrijfsmatig worden gebruikt door een ander dan de bezitter? Is dan zowel de bezitter als de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk, of sluit de aansprakelijkheid van de één die van de ander uit? Cumulatie van aansprakelijkheden zou de verhaalsmogelijkheden van de benadeelde vergroten, terwijl een concentratie van aansprakelijkheid bij de bedrijfsmatige gebruiker beter zou passen bij de gedachte van een ‘centraal adres’ voor aansprakelijkheid. Inmiddels is in HR 1 april 2011, NJ 2011/405, m.nt. Tjong Tjin Tai (Paard Loretta) uitgemaakt dat binnen het stelsel van art. 6:179 jo. 181 telkens hetzij de bezitter hetzij de bedrijfsmatige gebruiker aansprakelijk is. Vanuit het oogpunt van slachtofferbescherming is dit oordeel in de literatuur niet onverdeeld positief onthaald. Zo had de benadeelde in de Loretta-zaak de pijlen in rechte enkel gericht op de bezitter van het dier, hetgeen door de toepasselijkheid van art. 6:181 op de betrokken manege – waar de bezitter het paard ‘ter belering’ had ondergebracht – het verkeerde adres bleek. De opvatting van de Hoge Raad, dat binnen het stelsel van art. 6:179 jo. 181 een gelijktijdige aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige niet mogelijk is, wordt in het navolgende aan een nadere beschouwing onderworpen. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan de vraag of hetgeen de Hoge Raad in het Loretta-arrest heeft beslist over de verhouding tussen de aansprakelijkheid van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker van dieren (art. 6:179), ook geldt voor de eveneens in art. 6:181 genoemde roerende zaken (art. 6:173) en opstallen (art. 6:174).
Verder komt in dit hoofdstuk een aantal andere rolverdelingen binnen het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 aan de orde dan die tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker. Hoe liggen de verhoudingen wanneer schade veroorzaakt wordt door de door deze artikelen bestreken zaken in geval van meerdere bedrijfsmatige gebruikers (art. 6:181 lid 2)? Denk aan het verhuurbedrijf dat tegen betaling werktuigen en gereedschappen ter beschikking stelt voor gebruik in de uitoefening van het bedrijf van een ander. Kan de benadeelde in een dergelijk geval bij beide bedrijven terecht, of is het telkens van tweeën één? Ten aanzien van de terbeschikkingstelling van gevaarlijke stoffen (art. 6:181 lid 3) rijzen vergelijkbare vragen.
Voorts treffen we in afd. 6.3.2 BW een aantal ‘bijzondere’ personen aan dat in specifieke gevallen is belast met een kwalitatieve aansprakelijkheid voor de door art. 6:173, 174, 179 en 181 bestreken zaken. Het gaat om de erfpachter (art. 6:174 lid 2, eerste zin), de weg-, waterstaatswerk-, kabel- en leidingbeheerder (art. 6:174 lid 2, tweede zin), de exploitant van een ondergronds werk (art. 6:174 lid 3), de medebezitter (art. 6:180 lid 1), de verkrijger onder opschortende voorwaarde (art. 6:180 lid 2), alsmede de ouder/voogd (art. 6:183 lid 2). Hoe verhoudt de aansprakelijkheid van deze personen zich tot die van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173, 174, 179 en 181?
Als ‘bijzonder’ persoon wordt tevens aandacht besteed aan de producent die op grond van afd. 6.3.3 BW kwalitatief aansprakelijk is voor schade door gebrekkige producten. Omdat een gebrekkig product als bedoeld in afd. 6.3.3 BW vaak ook kwalificeert als een gebrekkige roerende zaak in de zin van art. 6:173,1 is relevant de vraag hoe de aansprakelijkheid van de producent uit afd. 6.3.3 BW zich verhoudt tot die van de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173 en 181. In bepaalde gevallen kwalificeren ook een opstal (art. 6:174) en gevaarlijke stof (art. 6:175) als ‘product’ in de zin van afd. 6.3.3 BW, zodat hier eveneens vragen rijzen betreffende de verhouding tussen de verschillende aansprakelijke personen.
Alle zojuist beschreven gevallen hebben gemeen dat het telkens draait om de ‘wie-vraag’. Op wie rust in het voorkomende geval een kwalitatieve aansprakelijkheid voor de door art. 6:173, 174, 175, 179, 181 en afd. 6.3.3 BW bestreken zaken en wie dient zich daarvoor – desgewenst – te verzekeren?