Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/14.6
14.6 De rol van het Hof van Justitie
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455785:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R. Barents, Het Verdrag van Lissabon. Achtergronden en commentaar (serie Europa in beeld, deel 1), Deventer: Kluwer 2008, p. 608-9; P. Craig, The Lisbon Treaty. Law, Politics, and Treaty Reform, Oxford: Oxford University Press 2010, p. 339-341; en J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 188-189. Daarbij moet wel worden aangetekend dat op grond van artikel 10 van het protocol betreffende de overgangsbepalingen (nr. 36) een overgangsperiode van vijf jaar gold voor bestaande instrumenten. Deze overgangsperiode is per 1 december 2014 verstreken.
J.-C. Piris, The Lisbon Treaty. A Legal and Political Analysis (serie Cambridge studies in European law and policy), Cambridge: Cambridge University Press 2010, p. 189.
Voor klassiek-verdragsrechtelijke samenwerking in strafzaken bleek de dimensie van de invloed van mensenrechtelijke normen relevant. Binnen die dimensie kan onderscheid worden gemaakt tussen samenwerking met staten die ook partij zijn bij het EVRM en samenwerking met niet-EVRM-staten. Dat onderscheid is niet alleen relevant omdat met andere EVRM-staten een hetzelfde mensenrechtelijk kader wordt gedeeld, maar ook omdat elke staat die partij is bij het EVRM onderworpen is aan rechterlijk toezicht door het EHRM. Met die mensenrechtelijke dimensie hangen samen de dimensie van de chronologie van het vertrouwen – ziet het vertrouwen op een gebeurtenis in het verleden of op een toekomstige gebeurtenis? – en de dimensie van het object van het vertrouwen, hetgeen waarin men vertrouwen heeft, gedragingen, beweringen of nakoming van verplichtingen. De chronologie van het vertrouwen is immers relevant voor de vraag of het gaat om redres van iets wat al is gebeurd, zoals het redresseren van een voltooide schending van het recht op een eerlijk proces, of het voorkomen van een mogelijk schending in de toekomst. De nakoming van mensenrechtelijke verplichtingen vormt vaak het object van het vertrouwen in mensenrechtelijk opzicht, maar daarbij ook van groot belang wie voor die nakoming verantwoordelijk is en welke functionaris daarop toezicht houdt. Onafhankelijk en onpartijdig rechterlijk toezicht legt daarbij gewicht in de schaal, supranationaal rechterlijk toezicht des te meer. Tegen die achtergrond is het in EU-verband relevant welk rechterlijk toezicht wordt uitgeoefend op de naleving van het EU-recht. Later zal nog blijken dat het EU-recht een eigen grondrechtelijk kader kent. Het rechterlijk toezicht dat hierna wordt besproken ziet mede op dat grondrechtelijk kader. Maar daarnaast ziet het op de min of meer reguliere uitvoering van het EU-recht, waar het om de samenwerking in strafzaken gaat vooral richtlijnen die bepaalde samenwerkingsinstrumenten regelen en richtlijnen die bepaalde procedurele waarborgen bieden. Deze worden inhoudelijk in een volgend hoofdstuk besproken; hier gaat het enkel nog om het rechterlijk toezicht daarop.
Typerend voor de Europese Unie is dat het om een zelfstandige rechtsorde gaat inclusief rechterlijk toezicht door het Hof van Justitie. Met de communautarisering van de derde pijler zijn ook de meeste beperkingen aan de controlerende bevoegdheden van het Hof van Justitie verleden tijd. Anders gezegd: de materie valt geheel onder de rechtsmacht van het Hof.1 Piris is van mening dat deze ‘full jurisdiction’ van het Hof niet alleen de rechten van individuen beter helpt waarborgen in aangelegenheden betreffende de Ruimte van Vrijheid, Veiligheid en Recht, ook verbetert zij het toezicht door het Hof op de implementatie van EU-wetgeving op dit terrein. En dat ‘should help create mutual trust between Member States, which is essential if the principle of mutual recognition set out in Article 67 (3) and (4) TFEU (VWEU, TK) is to function effectively’, aldus nog steeds Piris.2
Het voorgaande betekent dat de hierna te bespreken procedures ook kunnen worden ingesteld in het kader van de samenwerking in strafzaken. Achtereenvolgens gaat het dan om de inbreukprocedure tegen een lidstaat wegens het niet nakomen van op de lidstaat rustende verplichtingen, het beroep tot nietigverklaring van een handeling, het beroep wegens het nalaten een besluit te nemen en het stellen van prejudiciële vragen.
14.6.1 De inbreukprocedure wegens het niet nakomen van op de lidstaat rustende verplichtingen14.6.2 Het beroep tot nietigverklaring van een handeling14.6.3 Het beroep wegens het nalaten een besluit te nemen14.6.4 De prejudiciële procedure14.6.5 Beperking bevoegdheid Hof van Justitie bij justitiële en politiële samenwerking in strafzaken