Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.1.3
4.3.1.3 De contractuele opzegbevoegdheid
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855342:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wat partijen exact zijn overeengekomen, is een kwestie van uitleg en geschiedt aan de hand van de Haxiltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex)). Zie bijv. hof Amsterdam 9 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:454.
HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ). Zie bijv. rb. Amsterdam 18 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4059.
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3749 (Koersplan).
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Ermes c.s./Haviltex). Het gaat er daarbij niet om wat een partij zelf dacht te zijn overeengekomen. Beslissend is hoe partijen over en weer het overeengekomene redelijkerwijs moesten begrijpen (zie ook Bakker 2021, p. 13 en 45; Grosheide & Van der Neut, TAC 2022/2). De uitgangspunten van de verklaarde wil en het gerechtvaardigd vertrouwen vormen tezamen de wilsvertrouwensleer, die is neergelegd in art. 3:33 en 3:35 BW.
Als deze ruimte er niet is, is aanvulling niet mogelijk en kan de opdrachtnemer dus niet worden beschermd via de weg van art. 6:248 lid 1 BW. De opdrachtnemer kan in die situatie proberen het beroep van de opdrachtgever op de contractuele opzegbevoegdheid terzijde te schuiven door te betogen dat de uitkomst van dit beroep in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 lid 2 BW) (HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ)) (zie par. 4.3).
Tjong Tjin Tai, NJ 2016/450; Verburg, JOR 2018/140; De Vaan, JIN 2018/57.
Zie bijv. rb. Rotterdam 11 augustus 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BN3753.
Hiermee doel ik uitsluitend op de opzegbevoegdheid en niet op een eventuele opzegtermijn of een (aanvullende) (schade)vergoeding.
Een voorbeeld van zo’n beding is: “De opdrachtgever kan de overeenkomst slechts opzeggen indien (a) hij niet kan nakomen en deze niet-nakoming niet aan hem is toe te rekenen, (b) de opdrachtnemer komt te overlijden of (c) de opdrachtnemer in staat van faillissement wordt verklaard.”
Zie voor de duurovereenkomst voor bepaalde tijd HR 21 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0483 (Mondia/Calanda); HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1428 (Aerts/Kneepkens). Zie voor de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134 (Pensioenfonds/Alcatel-Lucent).
Het leerstuk onvoorziene omstandigheden houdt in dat na het sluiten van de overeenkomst zich omstandigheden voordoen die niet in de overeenkomst zijn verdisconteerd en die niet voor rekening van de opdrachtgever komen, waarbij deze omstandigheden van zo ernstige aard zijn dat de opdrachtnemer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet van de opdrachtgever mag verwachten. Hierbij komt het er slechts op aan van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan (‘niet in de overeenkomst verdisconteerd’) en dus niet of deze omstandigheid voorzienbaar was. Zie in dit kader uitgebreider Beenders & Den Hollander, VrA 2010/1.3.
Zie t.a.v. de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid par. 4.3. Zie t.a.v. de onvoorziene omstandigheden, waarbij in deze context materieel gezien wordt aangesloten bij het toetsingscriterium van art. 6:258 BW, HR 27 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4797 (NVB/Sipke Helder); HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0834 (Nieuwegein/GCN II); HR 10 juli 1989, ECLI:NL:HR:1989:AC1532 (FNV/Campina); HR 19 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1152 (Campina/Van Jole); HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587 (Briljant Scheuders/ABP); HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2615 (Gemeente Bronckhorst). Overigens lijkt toepassing van het leerstuk onvoorziene omstandigheden sowieso lastig te rijmen met het feit dat het moet gaan om omstandigheden waarin partijen niet hebben voorzien, terwijl zij in de geschetste situatie juist (voor dit geval) het ontbreken van een opzegbevoegdheid hebben verdisconteerd.
De niet-opzegbaarheid kan ook uit de bedoeling van partijen voortvloeien, zelfs t.a.v. de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660 (Stichting Gooisch Natuurreservaat); HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1270 (Nanada/Golden Earring)). Het is echter niet aannemelijk dat de opdrachtgever en opdrachtnemer die een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd met elkaar hebben gesloten, een dergelijke afspraak – al dan niet stilzwijgend – zijn aangegaan. Anders dan in het Stichting Gooisch Natuurreservaat-arrest, waarin een nauwe samenhang bestond tussen enerzijds de overeenkomst en anderzijds de statuten van de stichting (waarin het behoud van het natuurreservaat ‘(…) ten eeuwigen dage (…)’ als doel was opgenomen), ligt het namelijk niet voor de hand dat zij een (stilzwijgend) verlangen tot eeuwigdurende gebondenheid hebben (zie in algemene zin ook Houben & Nijland, Contracteren 2016/3.2). Zie voor een voorbeeld waarin dit t.a.v. de overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd werd aangenomen rb. Gelderland 1 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4076.
Asser/Kortmann, De Leede & Thunnissen 5-III 1994/110; Du Perron 1995, p. 236; De Vries 2015, p. 226. Hierbij geldt in zijn algemeenheid dat hoe minder beperkt de opzegregeling is, hoe minder snel deze regeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal zijn.
Het is zelfs mogelijk dat partijen voor bijv. een duurovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gekozen, juist om zeker te zijn dat zij voor minimaal deze duur aan elkaar vastzitten.
De opzegbepalingen van afdeling 7.7.1 BW zijn regelend van aard, waardoor partijen afspraken kunnen maken over onder andere de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever (zie paragraaf 4.2.1). Als zij dit hebben gedaan, is de reikwijdte van deze bevoegdheid in beginsel afhankelijk van wat daarover is afgesproken: pacta sunt servanda.1 De algemeen verbintenisrechtelijke opzegregels die ik hiervoor besprak, kunnen onder omstandigheden ook doorsijpelen in een contractuele regeling. Ook als de overeenkomst voorziet in een opzegregeling, kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid namelijk meebrengen dat, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, nadere eisen aan de opzegging worden gesteld, mits de contractuele opzegregeling daarvoor ruimte laat (artikel 6:248 lid 1 BW).2 Voor het antwoord op de vraag welke regels van toepassing zijn, is van belang onderscheid te maken tussen drie situaties: (i) de opdrachtgever heeft een ruime contractuele opzegbevoegdheid, (ii) de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever is in het contract verbonden aan bepaalde (gewichtige) redenen en (iii) de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever is contractueel uitgesloten. Bij de bespreking van deze situaties differentieer ik niet ten aanzien van de duurovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd, tenzij dit expliciet is aangegeven.
Situatie i: de ruime opzegbevoegdheid
Het komt wel voor dat in het contract de tekst van artikel 7:408 lid 1 BW letterlijk is overgenomen of woorden van gelijke strekking. Opzegbaarheid is dan het uitgangspunt. Ten aanzien van de opzegbevoegdheid die voortvloeit uit artikel 7:408 lid 1 BW geldt dat de redelijkheid en billijkheid deze kan aanvullen (artikel 6:248 lid 1 BW), gelet op de uitschakelbepaling van artikel 7:400 lid 2 BW (zie paragraaf 4.3). Deze uitschakelbepaling vindt hier in principe geen toepassing, omdat het contractueel beding en geen wettelijk voorschrift betreft. Of deze contractuele opzegbepaling ruimte voor aanvulling laat, is een uitlegkwestie.3 De vraag die in dit verband rijst, is of partijen daadwerkelijk voor ogen hadden de opdrachtgever een onbegrensde opzegbevoegdheid te verlenen of ‘simpelweg’ de wettekst hebben gekopieerd of herschreven. Voor het antwoord van die vraag moet worden gekeken naar ‘de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.4
Als partijen alleen de wettekst hebben gekopieerd of herschreven zonder dat zij over deze opzegbepaling (intensief) overleg hebben gevoerd, lijkt het voor de hand te liggen dat de onbegrensde opzegbevoegdheid van de opdrachtgever ruimte laat voor aanvulling op grond van de aanvullende beperking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 7:408 lid 1 BW).5 Een andere uitleg zou immers meebrengen dat enkel het kopiëren van de wettekst in het contract kan leiden tot een andere uitkomst, inhoudende dat geen ruimte bestaat voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). Naar mijn overtuiging moet daarom worden bekeken of partijen voor ogen hadden aan te sluiten bij het systeem van de wet of dat zij hier expliciet van wilden afwijken. In de situatie dat zij aansluiting hebben gezocht bij het systeem van de wet, zou de contractuele bepaling ruimte laten voor aanvulling op grond van artikel 6:248 lid 1 BW (zie paragraaf 4.3).6 In dat geval geldt hetgeen ik heb beschreven in paragraaf 4.3.1.1 (voor de duurovereenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd) respectievelijk paragraaf 4.3.1.2 (voor de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde tijd). Als partijen hebben beoogd van het wettelijk systeem af te wijken, dan hangt de beantwoording van de vraag of de contractuele bepaling ruimte laat voor aanvulling, af van de wijze waarop het beding is geformuleerd. Hierbij geldt in zijn algemeenheid dat een gedetailleerde contractuele opzegregeling zich minder snel leent voor aanvulling, omdat een dergelijke regeling doorgaans geen leemte kent om te worden aangevuld.7 Mocht de ruimte voor aanvulling ontbreken, dan blijft de mogelijkheid bestaan dat de contractuele opzegregeling terzijde wordt geschoven door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Door die terzijdestelling kan eventueel een hiaat ontstaan, die weer kan worden aangevuld met de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW), mits de rechtsverhouding tussen partijen die aanvulling behoeft.
Situatie ii: de contractuele inperking van de opzegbevoegdheid
Partijen kunnen de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever contractueel hebben ingeperkt.8 Deze bevoegdheid kan bijvoorbeeld zijn gekoppeld aan bepaalde (gewichtige) redenen. Zonder zo’n reden kan de opdrachtgever in principe niet rechtsgeldig opzeggen. Of de contractuele bepaling ruimte voor aanvulling laat (artikel 6:248 lid 1 BW), wat afhangt van de formulering van het beding en dus van uitleg, is in dit verband eigenlijk irrelevant.9 De contractuele regeling die slechts in algemene zin bepaalt dat de opdrachtgever een gewichtige reden voor opzegging moet hebben of specifieke gewichtige redenen noemt, zal naar mijn inschatting qua norm immers niet of nauwelijks verschillen van de voldoende zwaarwegende grond voor opzegging, welke eis uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) kan voortvloeien (zie paragraaf 4.3.1.1).
In het gros van de gevallen waarin de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever contractueel is gekoppeld aan bepaalde (gewichtige) redenen, is ook opgenomen welke omstandigheden (in ieder geval) kwalificeren als gewichtige redenen.10 Als de situatie zich voordoet dat de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever contractueel aan banden is gelegd en hij hierdoor de overeenkomst met de opdrachtnemer in principe niet kan opzeggen, kan het alsnog gebeuren dat de opzeggingsbescherming van de opdrachtnemer moet wijken voor het belang dat de opdrachtgever bij de opzegging heeft.11 De twee gronden die hiertoe kunnen leiden, zijn de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden.12 Beide gronden bevatten een zeer strenge norm.13
Situatie iii: de contractuele uitsluiting van de opzegbevoegdheid
De mogelijkheid bestaat dat partijen de opzegbevoegdheid van de opdrachtgever volledig hebben uitgesloten. Ten aanzien van de opdrachtnemer aan de onderkant ligt zo’n afspraak – en daarmee een hoge mate van opzeggingsbescherming voor deze opdrachtnemer – allesbehalve voor de hand (zie paragraaf 4.2.1).14 Mocht toch sprake zijn van zo’n contractueel beding, dan kan de opdrachtgever – net als bij de vorige situatie – de overeenkomst alsnog opzeggen op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid of onvoorziene omstandigheden. Hoewel beide gronden nog altijd dezelfde strenge norm bevatten, heeft het beroep van de opdrachtgever hierop evenwel meer kans van slagen dan bij de vorige situatie. Een algehele contractuele uitsluiting van de opzegbevoegdheid, dus ook wegens gewichtige redenen, zal namelijk meebrengen dat partijen voor eeuwig aan elkaar zullen vastzitten en dat is bij de overeenkomst van opdracht een niet te verkiezen uitgangspunt.15 Dat geldt met name voor de duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij de duurovereenkomst voor bepaalde tijd speelt dat immers minder, nu deze overeenkomst in beginsel eindigt door het verstrijken van de tijd waarvoor zij is aangegaan.16