Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/4.3.3
4.3.3 De opzegvergoeding: de aanvullende (schade)vergoeding
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855372:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze paragraaf sluit ik met de term ‘(schade)vergoeding’ aan bij de HR (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin); HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ)). Uit het tussen haakjes plaatsen van het woord ‘schade’ leid ik af dat de vergoeding vermoedelijk ruimer kan zijn dan alleen het klassieke schadebegrip (zie ook Tjong Tjing Tai, NJ 2012/685; Drion, ORP 2018/172; Wallart, ORP 2021/164).
Hierbij plaats ik de kanttekening dat de aanvullende (schade)vergoeding ook ‘maar’ een bepaalde overgangstermijn compenseert. Van een volledige compensatie zal in beginsel geen sprake zijn.
Omdat ik ervan uitga dat de opdrachtgever een opzegtermijn in acht moet nemen (zie par. 4.3.2.1), spreek ik in deze paragraaf over ‘een aanvullende (schade)vergoeding’, waarmee ik dus bedoel: aanvullend op de opzegtermijn (of schadevergoeding die daaruit voortvloeit).
HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ).
Van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) kan bijv. sprake zijn als de opzegging door de opdrachtgever leidt tot reputatieschade van de opdrachtnemer (Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/180 noemt in dit verband het voorbeeld van een beledigende publieke berichtgeving over de reden van de opzegging). Bij de ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) kan worden gedacht aan de situatie waarin de opdrachtgever profiteert van de (nog niet terugverdiende) investeringen die door de opdrachtnemer zijn gedaan (Barendrecht, NJB 1994/17; Van de Paverd 1999, p. 125 e.v.; Asser/Houben 7-X 2019/131).
Dit blijkt uit HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka).
Ik doel hiermee op HR 21 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0291 (Mattel/Borka); HR 16 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1234 (FrieslandCampina e.a./Pensioenfonds Campina).
De overeenkomst van opdracht kan in principe door de opdrachtgever worden opgezegd zonder dat hij de opdrachtnemer een (schade)vergoeding1 is verschuldigd (zie paragraaf 4.2.3.2). Dit betekent dat als de opdrachtgever is gebonden aan een opzegtermijn en deze in acht neemt (of ‘afkoopt’ (zie paragraaf 4.3.2.3)), de opdrachtnemer in beginsel geen aanspraak kan maken op een (schade)vergoeding. Met zijn belangen is immers al rekening gehouden door de inachtneming van een opzegtermijn. Dit houdt echter niet in dat een opzegtermijn alle nadelige gevolgen van de opzegging wegneemt (zie paragraaf 4.3.2.1). Om die reden kan de opdrachtnemer onder omstandigheden in aanmerking komen voor een aanvullende (schade)vergoeding,2 die dus naast een opzegtermijn kan bestaan (of naast de schadevergoeding vanwege de schending van de opzegtermijn kan komen).3 Zo’n vergoeding kan volgen uit de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) (paragraaf 4.3.3.1), nu afdeling 7.7.1 BW daar ruimte voor laat, gezien de parlementaire geschiedenis en a-contrario-redenering van artikel 7:408 lid 3 BW (zie paragraaf 4.2.3.2).4 Andere wettelijke grondslagen voor een aanvullende (schade)vergoeding laat ik onbesproken, waaronder de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) en ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).5 Waar ik wel kort op inga, is de mogelijkheid dat de opdrachtgever en opdrachtnemer zo’n aanvullende vergoeding contractueel zijn overeengekomen (paragraaf 4.3.3.2). Net als in paragraaf 4.3.2 maak ik in deze paragraaf geen onderscheid tussen de duurovereenkomst van opdracht voor bepaalde en onbepaalde tijd, omdat voor beide overeenkomsten een vergelijkbaar normenkader geldt.6 Overigens heb ik hier geen apart rechtspraakonderzoek gedaan. Dat hangt samen met het feit dat uit de bestudering van de ‘standaardarresten’7 en rechtspraak die in de paragrafen 4.3.1.1 en 4.3.1.2 al de revue passeerden, een helder beeld naar voren kwam ten aanzien van de aanvullende (schade)vergoeding. Dat neemt niet weg dat voorzichtigheid op zijn plaats is bij het trekken van algemene conclusies op basis van dit beeld. Deze kanttekening heb ik een aantal maal eerder geplaatst en uitgebreider behandeld in paragraaf 3.3.1, waarin ik – kort gezegd – als redenen aanvoer dat het louter gepubliceerde rechtspraak betreft en dat de uitkomst van de procedure afhankelijk is van wat partijen in een procedure aanvoeren (artikel 24 Rv).
4.3.3.1 De uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende aanvullende (schade)vergoeding4.3.3.2 De contractuele (aanvullende) (schade)vergoeding