Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.4.6.2.1
7.4.6.2.1 De evenredigheidstoets: voldoende rechtvaardiging
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940235:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.4.4.2.3 (categorie I-triggers) en paragraaf 7.4.4.3.3 (categorie II-triggers).
HR 15 juni 1983, BNB 1983/248, HR 11 december 1991, BNB 1992/69, HR 14 juni 2000, BNB 2000/267.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, V-N 2020/16.24, r.o. 4.9.
HR 27 mei 2022, V-N 2022/24.12, BNB 2022/108, r.o. 4.2.4, HR 17 april 2020, V-N 2020/19.19, BNB 2020/95, r.o. 2.4.1, HR 17 april 2020, V-N 2020/19.20, BNB 2020/96, r.o. 2.4.1, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de codificatie van het evenredigheidsbeginsel in art. 3:4 lid 2 Awb. Vgl. de Conclusie van A-G Van Soest bij HR 15 juni 1983, BNB 1983/248 (onderdeel g), waarin deze onevenredigheid als zodanig reeds werd benoemd.
Zie Handelingen II 1992/93, p. 6050 (21 287).
Aldus ook Koopman 1996, p. 141-142. Zie omtrent de vereisten zelf paragraaf 7.4.4.2.3.
In het voorgaande is aan de orde gekomen dat de schending van de aangifte- of informatieverplichting(en) voldoende ernstig moet zijn om de toepassing van de omkering van de bewijslast te rechtvaardigen.1 De Hoge Raad heeft uit de geschiedenis en de strekking van de regeling van de omkering afgeleid dat onvolkomenheden van zo weinig gewicht kunnen zijn dat de zware sanctie van de omkering niet gerechtvaardigd is.2 Dat uitgangspunt wordt ook in de feitenrechtspraak toegepast.3
In dergelijke gevallen staat op zichzelf niet ter discussie dat niet volledig is voldaan aan de betreffende verplichting; die is als zodanig dus wel degelijk geschonden. Na de vaststelling van de schending van de betreffende verplichting dient echter nog een evenredigheidstoets plaats te vinden. Als de gemaakte fouten tamelijk gering zijn, dan staan de vergaande nadelige gevolgen van de omkering voor de belastingplichtige namelijk niet in verhouding tot het met de sanctie van de omkering te dienen doel.4 Dat doel is immers te voorkomen dat een belastingplichtige kan profiteren van door hem zelf gecreëerde bewijsnood bij de inspecteur. Bij relatief geringe omissies is geen sprake van bewijsnood, zodat de sanctie niet nodig is. Uit de wetsgeschiedenis van de administratieplicht blijkt ook dat de sanctie van de omkering gereserveerd is voor de zwaardere schendingen, die een ernstig gevaar voor een juiste belastingheffing meebrengen.5
Voor categorie I-triggers is de evenredigheidstoets voor wat betreft de inhoudelijk onjuiste aangifte in feite reeds concreet uitgewerkt in de vereisten dat het verschil in heffing zowel absoluut als relatief aanzienlijk moet zijn.6