De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.7.1:5.8.7.1 Uitbreiding uitzondering naar kandidaat en leerling
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.7.1
5.8.7.1 Uitbreiding uitzondering naar kandidaat en leerling
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949428:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1993, 650, p. 8.
Deze formulering is afkomstig uit de noot van J.H. van der Veen bij ARRvS 9 augustus 1982, AB 1982, nr. 538.
Rechtbank Roermond 8 september 1994, JB 1994, 239, m.nt M.F.J.M.W.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 8 september 1994, JB 1994, 238.
Rechtbank ’s-Gravenhage 16 september 1994, JB 1994, 273, m.nt AWH.
ABRvS 16 april 1999, ECLI:NL:RVS:ZF3777, m.nt Schreuder Vlasblom.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1992 werd de Wet AROB vervangen door de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In tegenstelling tot haar voorgangers kent de Awb geen negatieve lijst. Alle (onderwijs)wetten vallen in beginsel dan ook onder de werkingssfeer van de Awb.
In het ontwerp van de Awb is de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen overgenomen uit de Wet AROB. Met de Awb heeft de wetgever verduidelijkt dat de uitzondering slechts van toepassing is op kandidaten en leerlingen. Hiertoe heeft de wetgever aan de uitzondering toegevoegd dat een beoordeling van het kennen of kunnen is uitgezonderd wanneer deze ziet op een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst.1 De vraag of bijvoorbeeld een bejaarde opgenomen kan worden in een verzorgingshuis kan dan ook niet langer onder deze uitzondering worden geschaard. De uitzondering kwam als volgt te luiden:
e. inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst.2
In de memorie van toelichting verduidelijkt de wetgever dat aan de uitzondering in de Awb geen wijdere strekking dient te worden toegekend dan de uitzondering had onder de Wet AROB.3 Derhalve is de beoordeling van het kennen of kunnen in het kader van bijvoorbeeld de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetgeving, niet uitgezonderd van beroep. Wel zou er aan de uitzondering een beperktere uitleg gegeven moeten worden.4 De uitzondering zou slechts zien op een beoordeling die ten grondslag ligt aan intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden.5 Enkel beslissingen over diegenen die zijn “opgegaan voor een proef of een examen [cursivering komt voort uit de betreffende memorie van toelichting]” dienen onder de uitzondering geschaard te worden.6 Beschikkingen waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt kunnen volgens de wetgever niet langer onder deze uitzondering worden geschaard.
Uit de jurisprudentie blijkt evenwel dat niet duidelijk was of de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen hetzelfde of restrictiever uitgelegd zou moeten worden dan de uitzondering in de Wet AROB. Toen twee presidenten van rechtbanken op dezelfde dag moesten bepalen of het ongeldig verklaren van een rijbewijs valt onder de nieuwe uitzondering in de Awb rolden hier twee verschillende uitspraken uit.7 De president van de rechtbank Roermond meende dat degene die een medisch onderzoek moest ondergaan om te bepalen of hij zijn rijbewijs mocht behouden niet gelijkgesteld kan worden met een kandidaat of leerling. Hij bepaalde dat de uitzondering niet van toepassing is. De president van de rechtbank ’s-Hertogenbosch bepaalde echter dat het medisch onderzoek gelijkgesteld moet worden als ‘opgaan voor een proef.8 Hij bepaalde dan ook dat de uitzondering wel van toepassing is. Ongeveer een week later bepaalde de president van de rechtbank ’s-Gravenhage, net als de president van de rechtbank Roermond, dat bij een medisch onderzoek naar rijvaardigheid geen sprake is van een ‘kandidaat of leerling’.9 Daarmee staat er tegen dit besluit volgens hem wel beroep open.
In 1999 bepaalde de Afdeling dat een onderzoek naar de geschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig geen besluit is inzake het kennen of kunnen van een leerling.10 Een persoon die zich aan een dergelijk onderzoek onderwerpt, is geen kandidaat of leerling. Volgens de Afdeling blijkt uit de wetsgeschiedenis dat aan de uitzondering in de Awb een beperktere uitleg gegeven moet worden dan aan de uitzondering in de Wet AROB. De uitzondering in de Awb ziet volgens de Afdeling slechts op beschikkingen waaraan een beoordeling ten grondslag ligt van intellectuele en fysieke vaardigheden die door studie of oefening verkregen kunnen worden en niet op beschikkingen waaraan een medische beoordeling ten grondslag ligt.