De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.7.3:5.8.7.3 Ratio kennen en kunnenuitzondering
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.8.7.3
5.8.7.3 Ratio kennen en kunnenuitzondering
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949472:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Boer e.a. 2013, p. 25.
Noorlander 2007, p. 51-52.
Huisman e.a., 2018, p. 61.
ABRvS 13 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1795, AB 2002, 384, m.nt B.P. Vermeulen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder de Awb is de jurisprudentie over de werking van de kennen of kunnenuitzondering zich gaan uitkristalliseren. Deze jurisprudentie had in eerste instantie voornamelijk betrekking op het hoger onderwijs. Evenwel is het jaren nadat de uitzondering voor beoordelingsbeslissingen in de Wet AROB is verschenen, nog deels gissen naar de ratio hiervan. De Boer e.a. schrijven dat de ratio achter het uitsluiten van bezwaar en beroep tegen beoordelingsbeslissingen vermoedelijk is geweest dat de rechter weinig kan toevoegen aan de inhoudelijke beoordelingen van leraren van het kennen of kunnen van een leerling.1 Noorlander schrijft dat de Afdeling vindt dat het oordeel over een examen overgelaten moet worden aan de deskundige, hierbij verwijst hij naar de pedagogische (beoordelings)vrijheid van leraren.2 Huisman e.a. zien een soortgelijke ratio:
“De ratio van deze bepaling, die evident geschreven is om de inhoudelijke autonomie en deskundigheid van professionele beoordelaars af te schermen tegen rechterlijke bemoeienis, is dat de rechter niet een eigen oordeel over de kwaliteit, capaciteit e.d. van leerlingen, studenten, kandidaten moet vellen”3
In 2002 bepaalde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de uitzondering bedoeld is om het oordeel over bijvoorbeeld een examen over te laten aan de deskundige.4 In casu voerde appellant aan dat de uitzondering verbindende kracht zou missen omdat hij door deze bepaling geen toegang had tot een onafhankelijke rechter om op te komen tegen een besluit van een examinator. De Afdeling schrijft dat de uitzondering inderdaad een beperking van de toegang tot de bestuursrechter inhoudt, maar dat deze beperking een legitiem doel dient. De uitzondering heeft ten doel het oordeel over het kennen of kunnen van een student over te laten aan personen die daartoe de vereiste deskundigheid bezitten.