Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/8.6
8.6 Juridische kansengelijkheid: neutraliteit
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947786:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 2 maart 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781 (Mathieu-Mohin and Clerfayt/Belgium), par. 54.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 18. Zie hierover ook par. 7.6.2.
Zie par. 7.6.2.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 17.
CDL-AD(2002)23 van de Venice Commission (30 oktober 2002), Code of Good Practice in Electoral Matters, p. 17.
Art. 8 Wfpp.
Dragstra 2008, p. 221. De bedragen werden sindsdien een aantal keer verhoogd, zie bijvoorbeeld Stcrt. 2009, 15820; Stcrt. 2011, 23482.
De samenhang tussen het begrip kansengelijkheid en de Nederlandse subsidieregeling voor politieke partijen wordt verder besproken in par. 12.5.
Het EHRM beschouwt een gelijke behandeling van (kiezers en) kandidaten als een van de voorwaarden die ‘de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen’.1 Kansengelijkheid tussen kandidaten is niet alleen van belang voor het gelijke kiesrecht, maar ook voor het vrije kiesrecht, welk beginsel immers onder meer inhoudt dat de staat kiezers de ruimte moet laten om in vrijheid een mening te vormen. Bevoordeling van sommige kandidaten ten opzichte van andere, in hun poging kiezers te overtuigen, staat aan de vrijheid om een mening te vormen in de weg.2 Alleen als alle kandidaten een gelijke kans hebben om hun standpunten aan de kiezer over te brengen, kan deze aan zijn stem een geïnformeerde keuze ten grondslag leggen. Gelijke behandeling van kandidaten en vrije meningsvorming van de kiezer vormen zo twee zijden van dezelfde medaille.3
De staat dient zich ten aanzien van de kandidaten neutraal op te stellen om alle kandidaten een gelijke kans te geven om stemmen te behalen.4 Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen strikte en proportionele kansengelijkheid.5 Strikte kansengelijkheid betekent dat de grootte van een partij geen rol speelt bij de regulering van partijen. Zij moet gehanteerd worden op het moment dat partijen bij de verkiezingen gebruikmaken van publieke faciliteiten. Op Nederlands niveau kan wat dat betreft gewezen worden op de zendtijd die politieke partijen op grond van de Mediawet krijgen.6 Alle in de Tweede of Eerste Kamer vertegenwoordigde partijen krijgen jaarlijks onderling even veel zendtijd toegewezen. In verkiezingstijd geldt bovendien een bijzonder regime, waarin alle aan de verkiezingen deelnemende partijen (dus ook de partijen die eerder nog geen zetel behaald hebben) zendtijd krijgen.7 Ook hier krijgt iedere partij een gelijk aantal minuten. Proportionele kansengelijkheid, daarentegen, betekent dat de grootte van partijen juist wel een rol speelt. Deze vorm van kansengelijkheid komt tot uitdrukking in de verdeelsleutel van de Nederlandse regeling omtrent partijsubsidiëring. Al in de allereerste regelingen omtrent subsidiëring van aan politieke partijen gelieerde instituten, die in de jaren ’70 van de vorige eeuw het levenslicht zagen, was het subsidiebedrag (mede) afhankelijk van het aantal Kamerzetels dat een politieke partij innam. Ook nu nog maakt het aantal Kamerzetels van een partij onderdeel uit van de verdeelsleutel voor partijsubsidies.8 Naast een basisbedrag en een bedrag per Kamerzetel ontvangen partijen ook nog een bedrag per partijlid. Het bedrag per partijlid wordt bepaald door een wettelijk vastgelegd totaalbedrag te delen door het totale aantal leden van de partijen die voor subsidie in aanmerking komen.9 Deze eis werd ingevoerd om partijen ertoe aan te zetten om meer leden te werven en moest aldus tot uitdrukking brengen dat van partijen meer wordt verwacht dan slechts het stellen van kandidaten voor de verkiezingen.10 Evenals door het koppelen van de subsidie aan het aantal Kamerzetels, wordt met het subsidiebedrag per partijlid dus een link gelegd tussen de hoogte van de subsidie en de mate waarin een partij is verankerd in de maatschappij.11