Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.1
11.1 Inleiding
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Glastra van Loon 1980, p. 124.
Jackson 1998, p. 86.
Zie ook § 5.3.1.2 e.v.
Zie voor duiding van het begrip systeemvariabelen § 5.1.
Volgens Bockstaele is een verklaring ‘eigenlijk een samenvatting van de totale getuigenis in functie van de juridische behoeften, maar verwoord in de eigen bewoordingen van de comparant’ (Bockstaele 1995, p. 109-110).
Vgl. Duker & Stevens 2009, p. 80. Zie ook Komter die constateert dat in de praktijk geen onderscheid wordt gemaakt tussen de interactie die plaatsvindt tijdens het verhoor en de weergave ervan in het proces-verbaal (Komter 2011, p. 29 en Haket 2007, p. 88).
In het normale taalgebruik heeft het begrip ‘verklaring’ tevens de betekenis van ‘een schriftelijk stuk waarin iets verklaard wordt’. Zie Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands (digitaal geraadpleegd).
Zie § 5.3.1.3 over de ‘fasen’ in de totstandkoming van de verklaring.
Voor de vaststelling van de feiten in het strafproces is een zorgvuldig en adequaat verhoor van groot belang. De verklaringen die de rechter voor zijn beslissing gebruikt, worden immers in belangrijke mate tijdens het verhoor gevormd. Het doel van een verhoor is te achterhalen wat werkelijk is gebeurd. Dat dit niet eenvoudig is, blijkt reeds uit het vijfde hoofdstuk, dat betrekking heeft op de totstandkoming van getuigenverklaringen. De kenbaarheid van de werkelijkheid is een subjectieve aangelegenheid: de perceptie van de waarnemer wordt sterk gekleurd door het eigen kader waarbij mensen geneigd zijn een zekere ordening aan te brengen in wat zij hebben waargenomen.1 Ook is het geheugen niet onfeilbaar en kan worden vervormd door informatie van buitenaf. De kwaliteit van de getuigenverklaring is daarmee niet alleen afhankelijk van de waarneming en het geheugen van de getuige, maar in belangrijke mate ook van de bedrevenheid, althans expertise, van de functionaris die het verhoor afneemt en de context waarbinnen dat gebeurt.2 De verklaring komt immers zoals in hoofdstuk 5 bleek tot stand in onderlinge interactie waarbij de verhoorder zelf tot op zekere hoogte de verklaring mee opbouwt.3 Aangezien in het Nederlandse strafproces bij de bewijsbeslissing zwaar wordt geleund op getuigenverklaringen die in het vooronderzoek zijn afgelegd, is een deugdelijke vastlegging van die verklaringen van groot belang. Voor het bewijs is het noodzakelijk dat de rechter een zo objectief mogelijk beeld heeft van de inhoud van de verklaring en de wijze waarop de verklaring tot stand is gekomen.
In dit hoofdstuk zal nader worden stilgestaan bij hetgeen in de literatuur bekend is over de wijze waarop het verhoor van getuigen in de verschillende fasen van het strafproces wordt vormgegeven. De nadruk ligt daarbij niet op de juridische regelingen (die zijn in het vorige hoofdstuk besproken), maar op de praktijk en op de systeemvariabelen als factor die de inhoud van af te leggen verklaring beïnvloedt.4 Duidelijk zal worden dat in algemene zin weinig bekend is over de kwaliteit van getuigenverhoren afgenomen door de politie of de rechter(-commissaris). Ook de zittingsrechter die zich een oordeel moet vormen over de waarheidsgetrouwheid van de getuigenverklaring die tijdens het verhoor bij de politie of rechter-commissaris is afgelegd, heeft maar weinig zicht op het proces van totstandkoming met uitzondering van die gevallen waarin de verklaring auditief of audiovisueel is vastgelegd. Het beperkte zicht is mede het gevolg van de wijze van verslagleggen van het verhoor. In tegenstelling tot de wijze van verhoren is over de wijze van verslagleggen en de processen die daarmee gepaard zijn, wel het nodige bekend. Duidelijk zal worden dat het gebrekkige zicht op de totstandkoming de achilleshiel vormt van de Nederlandse schriftelijke procesvoering. We weten op grond van de rechtspsychologie veel over de valkuilen bij het verhoor, maar weten niet in hoeverre deze zich in de Nederlandse rechtspraktijk manifesteren en wat de kwaliteit is van het verhoor. Over de wijze waarop schriftelijke verklaringen worden opgetekend is daarentegen meer bekend mede in relatie tot de kwaliteit van de verklaring.
Opgemerkt moet nog worden dat in de praktijk de afgelegde verklaring en verklaring zoals die is vastgelegd, dat wil zeggen de schriftelijke verklaring, niet altijd helder worden onderscheiden.5 Dit komt doordat schriftelijke product uiteindelijk een dominante rol speelt bij de besluitvorming van de rechter. De verklaring krijgt immers juridisch pas betekenis zodra deze is opgetekend.6 Zoals in dit hoofdstuk zal blijken, kan de daadwerkelijk afgelegde verklaring echter niet zonder meer worden vereenzelvigd met de verklaring zoals die op schrift is gesteld.7 Het is daarom van belang deze twee ‘producten’ te onderscheiden.8 Juist omdat in Nederland veelal de schriftelijke verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, wordt de verslaglegging uitdrukkelijk tot het proces van tot stand komen gerekend.
De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt. Allereerst zal kort worden stilgestaan bij de gang van zaken tijdens het verhoor in de verschillende fasen van het strafproces (§ 11.2) en de gebrekkige controle op het verhoor (§ 11.3). Vervolgens komt de verslaglegging in de verschillende fasen van het strafproces aan bod, waarbij aandacht wordt besteed aan de persoon die de verklaring optekent en de omstandigheden waaronder hij dit doet (§ 11.4). Daarna wordt ingegaan op de vorm waarin de verklaring wordt vastgelegd en het proces van transformatie die de verklaring doormaakt als zij op schrift wordt gesteld (§ 11.5). Hierbij zullen aan de orde komen: de omzetting van dialoog naar monoloog, de mate waarin de eigen woorden van de getuige worden genoteerd en de selectie van informatie ten behoeve van vervolgbeslissingen. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de consequenties die dit proces van transformatie heeft voor de narratieve structuur en de toetsbaarheid van de verklaring, waarbij tevens wordt ingegaan op de gevaren die kleven aan de gangbarewijze van verbaliseren vanuit het perspectief van waarheidsvinding (§ 11.6). Duidelijk zal worden dat aan de gangbare stijl van verbaliseren de nodige haken en ogen zitten in het licht van de waarheidsvinding. In dit verband wordt ook aandacht besteed aan de waarde die door rechter aan het proces-verbaal wordt gehecht (§ 11.7). Tot slot wordt ingegaan op de vraag of er reden is tot aanpassing van de praktijk van verslaglegging en wat dan de meest geëigende vorm van vastlegging zou zijn in het licht van de waarheidsvinding (§ 11.8). Bij de beantwoording van deze vraag wordt mede betrokken datgene wat daarover in andere wetenschappen bekend is.