Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.7
11.7 Waarde van de schriftelijke verklaring vanuit het perspectief van de gebruiker
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Haket 2007, p. 181 en 204 en Komter 2011, p. 29 en 31.
Komter 2011, p. 31.
Haket 2007, p. 97.
Rock 2001, § 2.
Komter 2002, p. 433.
Haket 2007, p. 134 en Malsch, Haket & Nijboer 2008, p. 2580.
Haket 2007, p. 204.
Melai-Groenhuijsen, art. 29, aant. 19.
Zie ook Mols, die stelt dat het bekijken van de beelden nog wel eens wordt nagelaten, getraind als procesdeelnemers zijn in het volgen van ambtsedige processen-verbaal (Mols 2003, p. 151). Zie ook Nierop & Van den Eshof 2008, p. 84.
Hof Arnhem 28 oktober 2010, LJN BO2126. Zie ook Hof ’s-Hertogenbosch 21 juli 2010, LJN BN1833, Rb Breda 27 januari 2010, LJN BL0898, Rb Breda 18 februari 2009, LJN BH3201, Rb Groningen 20 maart 2008, LJN BC2524, Hof Amsterdam 30 augustus 2007, NJFS 2008, 1 en Rb Arnhem 8 augustus 2009, NJFS 2007, 246.
Ondanks de beperkte toetsbaarheid van processen-verbaal en het proces van transformatie dat de daarin neergelegde getuigenverklaringen bij hun opschriftstelling doormaken, wordt over het algemeen door de gebruikers veel gewicht toegekend aan de inhoud van processen-verbaal. In de praktijk bestaat de neiging om de verklaring van de getuige die is afgelegd tijdens het verhoor te vereenzelvigen met de verklaring zoals die schriftelijk in het proces-verbaal is vastgelegd. Uit onderzoek blijkt dat de inhoud van het proces-verbaal als gegeven wordt beschouwd. Gebruikers vertrouwen erop dat het verklaarde correct is opgetekend.1 Dit vertrouwen is tot op zekere hoogte onontbeerlijk. Het Nederlandse strafvorderlijke systeem, waarin recht wordt gedaan op basis van de stukken, is immers in belangrijke mate op dit vertrouwen gebaseerd. Volgens Komter wordt de tekst van het proces-verbaal echter behandeld als onproblematische weergave van wat is gezegd in verhoren.2 Ook Haket constateert dat ‘verklaringen, vanaf het moment dat ze op papier staan, aan de betrokkene worden toegeschreven, zonder dat er nog (veel) wordt stil gestaan bij de invloed van rechercheurs op de totstandkoming en verslaglegging van de verklaring’.3
Vanwege het gewicht dat door gebruikers aan het proces-verbaal wordt gehecht, wordt het proces-verbaal in de literatuur ook wel aangeduid als authoritative text. Aan de tekst van een proces-verbaal wordt onder omstandigheden meer gezag toegekend dan aan mededelingen van de oorspronkelijke bron, op basis van wiens waarnemingen het proces-verbaal is opgesteld. Rock stelt in dit verband het volgende:
‘The statement is not used simply to support, confirm or even explore the witness’ presentation of events, rather it becomes an authoritative text against which even the witness, the original source of information contained in the statement, is assessed.’4
Dat ter terechtzitting verstrekte informatie wel wordt afgewogen tegen een verklaring zoals die eerder is opgetekend, zien we ook terug in Nederland. Dit is ook inherent aan ons processysteem waarin verklaringen uit het vooronderzoek onverkort voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het wordt echter problematisch op het moment dat een onjuiste beeldvorming in het proces-verbaal door de oorspronkelijke zegspersoon op geen enkele manier meer kan worden rechtgezet. Zeker verdachten plegen op het onderzoek ter terechtzitting regelmatig verantwoordelijk te worden gehouden voor datgene wat zij – naar verluidt – tegen de politie of de rechter-commissaris hebben gezegd.5 De vraag is of – gelet op de dynamiek van het verhoor en de wijze waarop de gesproken interactie wordt opgetekend – terecht zoveel waarde wordt gehecht aan de inhoud van de schriftelijke verklaring, vooral waar het verklaringen betreft afgelegd ten overstaan van de politie.
Verdachten, maar ook getuigen, die de inhoud van het proces-verbaal betwisten, worden ter terechtzitting gewezen op het feit dat zij hun verklaring toch hebben ondertekend. Van oudsher wordt de ondertekening namelijk als een belangrijke waarborg voor de correcte vastlegging van het verklaarde gezien. In de praktijk blijkt echter dat getuigen vaak hun verklaring niet doorlezen en ongezien ondertekenen.6 Ook zij vertrouwen erop dat de verbalisant het wel goed zal hebben opgeschreven en hebben veelal geen idee van het belang dat aan hun schriftelijke verklaring kan worden gehecht.7 Door rechters wordt veel betekenis toegekend aan het feit dat een procesverbaal op ambtseed is opgemaakt. Verdachten en getuigen worden geconfronteerd met de vraag waarom de politie zou liegen. Echter, ook aan te goeder trouw opgetekende verklaringen kunnen – op essentiële punten – gebreken kleven. De verhorende functionaris zal zich niet altijd bewust zijn van de wijze waarop zijn perceptie mede de opgetekende verklaring kleurt. Daarbij komt dat het grote vertrouwen en het gebrek aan controle veel druk legt op de integriteit van de politiefunctionarissen.8
Een probleem is dat het door het hermetisch karakter van het procesverbaal voor de gebruiker erg lastig is om de kwaliteit van het verhoor en de verslaglegging te toetsen. Indien er geluids- of video-opnamen zijn gemaakt, kunnen deze worden afgeluisterd of afgespeeld en worden vergeleken met de inhoud van het proces-verbaal in geval van mogelijke discrepanties. Echter, opnamen zijn slechts in een zeer beperkt aantal gevallen voorhanden. In de overige gevallen is de enige mogelijkheid de getuige in kwestie opnieuw te horen of eventueel de verbalisant te ondervragen op het moment dat de verdediging bezwaar maakt ten aanzien van de inhoud van het proces-verbaal of er anderszins aanleiding bestaat om te denken dat het proces-verbaal geen getrouwe weergave van het verhoor is. Het opnieuw horen is echter een tijdrovende bezigheid en heeft ook niet altijd zin meer, bijvoorbeeld in die gevallen waarin al te veel tijd is verstreken. Tevens zijn aan het herhaald verhoren ook risico’s verbonden zoals in § 5.3.4 duidelijk werd. Maar ook als een nader verhoor nog wel nadere informatie zou kunnen opleveren, gebeurt het – naar mijn indruk – slechts sporadisch. Het is dan ook niet uitsluitend een kwestie van een gebrek aan controlemogelijkheden, maar ook van attitude. Indien opnamen bijvoorbeeld wel aanwezig zijn, dan nog blijkt de rechter niet altijd bereid om deze te bekijken.9
Uit de jurisprudentie komt echter het beeld naar voren dat het aan de kwaliteit van processen-verbaal van politieverhoor inderdaad nog wel eens schort. De afgelopen jaren zien we in toenemende mate uitspraken waarin de rechter besluit tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of vrijspraak, omdat moet worden vastgesteld dat de verhoren niet op de juiste manier zijn geverbaliseerd. Een recent voorbeeld hiervan betreft een zaak bij het Hof Arnhem waarin bij de verdachte sprake was van expressieve afasie en verbale afasie, op grond waarvan hij niet in staat was om te praten. In het proces-verbaal werd hiervan echter geen melding gemaakt. Hierin was slechts opgetekend ‘Ik weet dat mijn rijbewijs is ingevorderd’, terwijl voor het hof duidelijk was dat de verdachte dit niet zo kan hebben gezegd. In het procesverbaal werd evenmin melding gemaakt van de wijze waarop met betrokkene is gecommuniceerd. Deze informatie was naar het oordeel van het hof zo cruciaal, dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn vervolging.10 In de jurisprudentie gaat het steeds om gevallen waarin gemaakte fouten min of meer worden rechtgezet. Het is echter niet ondenkbaar dat andere fouten of discrepanties bij gebrek aan deugdelijke controlemogelijkheden onopgemerkt blijven. Met name vanuit de advocatuur komen negatieve geluiden met betrekking tot de kwaliteit van processen-verbaal van politieverhoren. De Nederlandse Vereniging van Strafrechtadvocaten (NVSA) stelt in dit verband ‘dat er geen rechtszaak voorbij gaat, zonder dat er iets op het geschreven proces-verbaal valt aan te merken. De manier waarop agenten een verhoor uitschrijven klopt vaak niet’.11