Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.8.a
3.8.a IVBPR I: algemeen kader
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607102:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. de vraag van de Bulgaarse afgevaardigde “whether the right of appeal […] involved merely a review of the case by another court of whether new evidence had to be introduced” in Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (19 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.961, p. 261); en de Franse afgevaardigde: “the means of legal redress – which in some countries, like France, had achieved a highly refined stage of organization – involved some very subtle and complex ideas, such as the distinction between appeal and cassation”, in Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (23 november 1959), UN Doc A/C.3/ SR.964, p. 273.
Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (19 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.961, p. 261; zie ook Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (23 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.964, p. 274.
Zo ook De Hullu 1989, p. 140; Nowak 2005, p. 348.
CRM 28 maart 1995, nr. 536/1993 (Perera/Australië).
CRM 6 april 1998, nr. 623-624-626-627/1995, FED 1999, p. 1403-1408, m.nt. Feteris (Domukovsky e.a./Georgië).
CRM 6 april 1998, nr. 623-624-626-627/1995, FED 1999, p. 1403-1408, m.nt. Feteris (Domukovsky e.a./Georgië).
Aldus ook Nowak 2005, p. 349; Machielse 2011a, p. 51-52; vgl. in deze zin over het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten, Medina 2014, p. 317-319.
General Comment 2007/32, onderdeel 48.
De verdragshistorie van het IVBPR maakt duidelijk dat weloverwogen is gekozen voor de term review. In reactie op het oorspronkelijke Israëlische voorstel voor een recht op appeal wezen verschillende afgevaardigden op de bijzonderheden van de rechtsmiddelen in hun land en uitten velen de wens een zo algemeen mogelijke verdragstekst te formuleren.1 De wijziging van het oorspronkelijk voorgesteld recht op appeal naar het meer onbepaalde recht op review sluit daarbij aan. Zoals Baror uitlegde: “his only intention was to provide for some form of appeal. As different legal systems made different provisions for appeal, he did not wish to specify how that appeal should be made.”2 Nu bieden deze tekstwijziging en de toelichting daarop niet veel inzicht, maar wel wordt duidelijk dat de opstellers van het verdrag waarschijnlijk uiteindelijk niet een specifieke modaliteit van beroep voor ogen hadden.3
Een klacht bij het Comité over het review-bestanddeel van het recht op beroep is pas in 1993 geformuleerd. De zaak Perera/Australië draait om een verdachte van drugssmokkel, wiens zaak na veroordeling in eerste aanleg door de appelrechter wordt teruggewezen. Na terugwijzing veroordeelt de rechtbank Perera opnieuw, waarna de beroepsrechter het oordeel in stand laat. De man klaagt bij het CRM dat de appelrechter niet een volledige “rehearing of the facts” heeft uitgevoerd. Het Comité oordeelt echter dat artikel 14 lid 5 IVBPR “does not require that a Court of Appeal proceed to a factual retrial, but that a Court conduct an evaluation of the evidence presented at the trial and of the conduct of the trial”.4 De klacht wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Enige jaren later wordt in de zaak Domukovsky e.a./Georgië wel een verdragsschending vastgesteld.5 Aan de verdachten is door het Georgische hooggerechtshof de doodstraf opgelegd. Tegen dat vonnis staat enkel op zeer beperkte gronden beroep open. Het Comité acht dat onvoldoende en overweegt daarover dat “the authors could not appeal their conviction and sentence, but that the law provides only for a judicial review […] on matters of law only. The Committee is of the opinion that this kind of review falls short of the requirements of article 14, paragraph 5, of the Covenant, for a full evaluation of the evidence and the conduct of the trial.”6
Deze twee klassieke oordelen verduidelijken de eis van review in een aantal opzichten. Het recht op beroep vereist enerzijds geen nieuw feitenonderzoek in de zin van een met eerste aanleg vergelijkbare beoordeling van de tenlastelegging. Een review mag dus worden gegeven op grond van de reeds beschikbare stukken, zonder dat nader feitenonderzoek wordt verricht. Anderzijds vereist artikel 14 lid 5 IVBPR wel dat de beroepsrechter niet alleen op juridische gronden het bestreden vonnis beoordeelt, doch tevens het bewijs opnieuw taxeert en bovendien de procesgang in eerdere aanleg onder ogen neemt.7
Deze uitgangspunten gelden nog steeds. In General Comment nr. 32 worden zij als volgt samengevat én aangevuld: “The right to have one’s conviction and sentence reviewed by a higher tribunal […] imposes on the State party a duty to review substantively, both on the basis of sufficiency of the evidence and of the law, the conviction and sentence, such that the procedure allows for due consideration of the nature of the case. A review that is limited to the formal or legal aspects of the conviction without any consideration whatsoever of the facts is not sufficient under the Covenant. However, article 14, paragraph 5 does not require a full retrial or a ‘hearing’, as long as the tribunal carrying out the review can look at the factual dimensions of the case. Thus, for instance, where a higher instance court looks at the allegations against a convicted person in great detail, considers the evidence submitted at the trial and referred to in the appeal, and finds that there was sufficient incriminating evidence to justify a finding of guilt in the specific case, the Covenant is not violated.”8