Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.8.d
3.8.d EVRM I: Krombach-kader
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609515:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Explanatory Report 1984, onderdeel 17.
EHRM 13 februari 2001, nr. 29731/96 (Krombach/Frankrijk); zie voor (gedeeltelijke) bevestiging EHRM 3 oktober 2002 (ontv.), nr. 51941/99 (Meischberger/Oostenrijk); EHRM 27 augustus 2002 (ontv.), nr. 58188/00 (Didier/Frankrijk); EHRM 12 november 2002 (ontv.), nr. 32559/96 (Fortum Oil And Gas OY/Finland); EHRM 13 januari 2004 (ontv.), nr. 64299/01 (Sawalha/Zweden); EHRM 10 april 2007 (ontv.), nr. 24945/04 (Kristjansson & Boasson/IJsland); EHRM 8 september 2009 (ontv.), nr. 18790/07 (Ellul/Malta); EHRM 25 juli 2017, nr. 2728/16 (Rostovtsev/Oekraïne).
Het huidige beslisschema komt althans eerst sinds Krombach/Frankrijk coherent naar voren. In eerdere uitspraken lagen al bouwstenen besloten, zie bijv. ECRM 26 oktober 1995 (ontv.), nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen); en EHRM 27 april 2000 (ontv.), nr. 33050/96 (Haser/Zwitserland).
Vgl. Gerards 2011, p. 190.
Zie voor verlofstelsels paragraaf 3.10.
EHRM 12 juli 1999 (ontv.), nr. 27665/95 (Lantto/Finland).
Gerards 2011, p. 134 en 136.
ECRM 1 juni 1998 (ontv.), nr. 37553/97 (Olsson/Noorwegen); ECRM 21 oktober 1998 (ontv.), nr. 37604/97 (Sjöö/Zweden); EHRM 29 juni 2000 (ontv.), nr. 32092/96 (Poulsen/ Denemarken).
Paragraaf 4.3a.
Zie Gerards 2011, p. 167-168; Nieuwenhuis 2012.
Gerards 2011, p. 167-168; Nieuwenhuis 2012, p. 138.
Gerards 2011, p. 168-169; met vele voorbeelden Nieuwenhuis 2012, p. 148-155.
Kloth 2010, p. 17-19.
Een wat oudere beslissing van de Commissie (ECRM 26 oktober 1995, nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen), waarin wordt overwogen dat een beroepsbeperking “cannot be said to impair disproportionately the essence of the applicant’s right to a review”, wijst in de richting van de tweede benadering.
Onder het EVRM worden minder eisen gesteld aan de rechtsmiddelcontrole dan onder het IVBPR. In het Explanatory Report bij het Zevende Protocol staat al kernachtig dat “different rules govern review by a higher tribunal in the various member States of the Council of Europe. In some countries, such review is in certain cases limited to questions of law, such as the recours en cassation. In others, there is a right to appeal against findings of facts as well as on the questions of law. The article leaves the modalities for the exercise of the right and the grounds on which it may be exercised to be determined by domestic law.”1 In dit citaat wordt in tamelijk algemene bewoordingen van bepaalde beperkte vormen van beroepsbeoordeling aangegeven dat deze binnen de organisatievrijheid van de staten vallen en daarom in beginsel aanvaardbaar zijn.
Deze benadering wordt in rechtspraak van het EHRM getrouw als uitgangspunt gebruikt. Sinds de uitspraak in de zaak Krombach/Frankrijk in 2001 hanteert het EHRM bij klachten over de kwaliteit, omvang of intensiteit van de review in beroep consistent het volgende besliskader.2/3 Het Hof overweegt steeds dat “the Contracting Status dispose in principle of a wide margin of appreciation to determine how the right secured by Article 2 of Protocol No. 7 is to be exercised. Thus, the review by a higher court of a conviction or sentence may concern both points of fact and points of law or be confined solely to points of law. Furthermore, in certain countries, a defendant wishing to appeal may sometimes be required to seek permission to do so. However, any restrictions contained in domestic legislation on the right to a review mentioned in that provision must, by analogy with the right of access to a court embodied in Article 6 § 1 of the Convention, pursue a legitimate aim and not infringe the very essence of that right.” De verschillende onderdelen van deze belangrijke standaardrechtspraak worden hieronder in het algemeen toegelicht, waarna enkele verduidelijkende voorbeelden worden besproken.
Voorop staat volgens het EHRM de aan landen toekomende beoordelingsruimte bij de vormgeving van beroep. Deze organisatievrijheid ten aanzien van de positieve verplichting één of meer rechtsmiddelen beschikbaar te maken, is binnen de veelkleurige Europese context allicht begrijpelijk. De toegekende beoordelingsmarge is met zoveel woorden wide, welke formulering in het algemeen aanduidt dat het Hof slechts in uitzonderlijke gevallen tot het vaststellen van een schending zal overgaan.4 In lijn met het Explanatory Report maakt het Hof tevens duidelijk dat een beperking van het beroep tot juridische kwesties en verlofstelsels (permission to appeal) in beginsel aanvaardbaar zijn.
Het citaat maakt niet helemaal duidelijk of cassatietoetsing en verlofstelsels als modaliteit van review moeten worden opgevat, of als beperking daarop.5 Indien op laatstgenoemde wijze geïnterpreteerd, impliceert het citaat dat het recht op beroep uit artikel 2P7 EVRM als uitgangspunt een zowel juridische als feitelijke herbeoordeling van zowel de schuldvaststelling als de strafoplegging voorschrijft. Aan die conclusie kunnen de overwegingen in de ontvankelijkheidsbeslissing Lantto/Finland worden toegevoegd. De zaak draait om de behandeling van bezwaren in hoger beroep tegen de inhoud van het veroordelende vonnis én de wijze waarop dat tot stand was gekomen. Eén van de veroordelende rechters uit de eerste aanleg was naar klagers mening partijdig. Het EHRM overweegt bij de beoordeling van deze klacht “that the aim of the appeal is to allow an examination by a higher court not only of the substance of the case but also of possible procedural errors made by the lower court. In the instant case, the applicants exercised their right of appeal, arguing, inter alia, that the District Court had been partial. In this regard, their appeal was not rejected. Furthermore, the Court of Appeal also examined their appeal as regards the conviction and sentence. It therefore appears that the applicants had their case reviewed by two tribunals in conformity with Article 2 of Protocol No. 7 to the Convention.”6 Toegegeven, uit het citaat blijkt niet glashelder of de beoordeling van procedural errrors door het nationale beroepsgerecht bijdraagt aan de conclusie dat artikel 2 P7 EVRM niet is geschonden, maar daar lijkt het zeker op. Naast feitelijke en juridische fouten in de bestreden uitspraak zelf, lijken ook vormverzuimen in eerdere aanleg dus een beroepsgrond te moeten kunnen zijn. Maar, zoals opgemerkt, staten mogen op basis van hun beoordelingsmarge in vergaande mate zelf bepalen hoe een rechtsmiddel uiteindelijk wordt vormgegeven.
Onbegrensd is die organisatievrijheid vanzelfsprekend niet. In de eerste plaats moet een beperking van het recht op beroep een basis hebben in nationaal recht, dient met andere woorden aan een legaliteitsvereiste te zijn voldaan. Althans, dat lijkt mij de enige redelijke uitleg van de zinsnede over “domestic legislation”. Strikt grammaticaal gelezen schrijft die zinsnede voor dat alleen de beperkingen gebaseerd op nationaal recht een legitiem doel moeten beogen en niet de kern van het recht op beroep mogen aantasten. Beperkingen van het recht op beroep die niet in nationaal recht zijn opgenomen zouden in deze strikte lezing ook niet legitiem en proportioneel hoeven te zijn. Het behoeft geen betoog dat zo’n uitleg niet door het Hof kan zijn bedoeld.
Naast een legaliteitsvereiste geldt ten tweede dat met een beperking op het recht op beroep een legitiem doel moet worden nagestreefd. Deze voorwaarde heeft op zichzelf niet veel om het lijf – zeker in deze algemene formulering. Inhoudelijke beoordeling van de legitimiteit van de beoogde doelen probeert het Hof in het algemeen te vermijden, aldus Gerards.7 Interessant is dat de Commissie en het Hof vóór de introductie van de Krombach-toets nog oordeelden dat een beperking van het recht op beroep het specifieke doel van “the good administration of justice” moest dienen.8 Dat roept de vraag op of de algemene formulering van het legaliteitsvereiste in het Krombach-kader erop duidt dat ook andere doelen dan het rechtsbedelingsoog- merk beperkingen van het recht kunnen rechtvaardigen. Het huidige besliskader laat dat in elk geval toe.
De eis van legitimiteit is op zichzelf nauwelijks normerend, maar is wellicht vooral nuttig voor beoordeling van een proportionaliteitsvereiste. Daarbij wordt immers het beperkingsdoel tegen de aard en ernst van de beperking afgewogen. Opmerkelijk is evenwel dat het proportionaliteitsvereiste niet in standaardoverweging is opgenomen, terwijl een evenredigheidstoets in het kader van het access to court-leerstuk, waarnaar het Hof uitdrukkelijk verwijst, wel wordt voorgeschreven.9 Is dit een misslag? Of betekent deze omissie dat het EHRM vooral abstract beoordeelt of aan het recht op beroep is voldaan?
Misschien kan een proportionaliteitsvereiste niettemin worden ingelezen in de laatste voorwaarde uit het Krombach-kader, namelijk de kernrechtbescherming. In het algemeen is nog onduidelijk wat het Hof hieronder precies verstaat.10 In een eerste benadering mogen de beperkingen op het mensenrecht, aangenomen dat is voldaan aan overige beperkingsvereisten, nooit zo ingrijpend zijn dat op de kern van het recht inbreuk wordt gemaakt. Hier vindt in wezen een tweede reikwijdtebepaling plaats, maar nu van de absolute, onaantastbare essentie van het mensenrecht.11 In een tweede benadering dient de kern van een mensenrecht veeleer als hoge drempel in het kader van proportionaliteitstoetsing. Indien de staat niet met zeer zwaarwegende belangen op de proppen komt om een inbreuk op de kern van het mensenrecht te rechtvaardigen, dan wordt dat recht geschonden.12 Ten derde wordt de very essence van een mensenrecht door het Hof wel eens retorisch gebruikt als afronding van een ‘gewone’ proportionaliteitsafweging: is een beperking disproportioneel, dan heet het dat de kern van het recht is aangetast.13 Welke van deze benaderingen het Hof in het kader van het recht op beroep kiest, is niet goed te zeggen.14