Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.8.c
3.8.c IVBPR III: enige bijzonderheden
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608325:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
CRM 21 juli 2005, nr. 975/2001 (Ratiani/Georgië).
CRM 1 november 2013, nr. 1856/2008 (Sevostyanov/Rusland).
CRM 25 juli 2007, nr. 1381/2005 (Hachuel Moreno/Spanje).
CRM 7 april 1994, nr. 330/1988 (Berry/Jamaica); relevant is nog dat het CRM de vaststelling van feiten en nationaal recht door nationale gerechten alleen aantast als dit neerkomt op willekeur, zie bijv. CRM 31 oktober 2007, nr. 1161/2003 (Kharkhal/Wit-Rusland); CRM 12 maart 2001, nr. 1404/2005 (N.Z./Oekraïne); CRM 19 juli 2011, nr. 1605/2007 (Zyuskin/Rusland).
Ook wel supervisory protest of supervisory complaint genoemd.
Zie Hovens 2005, p. 7-9.
Zie bijv. CRM 17 maart 2003, nr. 836/1998 (Gelazauskas/Litouwen); CRM 8 juli 2004, nr. 964/2001 (Saidova/Tajikistan); CRM 21 juli 2005, nr. 975/2001 (Ratiani/Georgië); CRM 28 maart 2006, nr. 1100/2002 (Bandajevsky/Wit Rusland); CRM 29 oktober 2011, nr. 2120/ 2011 (Kovelava & Kozyar/Wit Rusland); General Comment 2007/32, onderdeel 50.
CRM 21 juli 2005, nr. 975/2001 (Ratiani/Georgië); zie ook CRM 17 maart 2003, nr. 836/1999 (Gelazouskas/Litouwen).
Het basisschema voor beroepsbeoordeling van artikel 14 lid 5 IVBPR, zoals geïllustreerd door de Spaanse zaken, kan nu in een aantal opzichten worden gepreciseerd. Ten eerste mag de beroepsrechter de bestreden uitspraak in de rechtsmiddelcontrole weliswaar tot uitgangspunt nemen, maar hij mag die uitspraak tegelijkertijd niet uitsluitend op grond van nieuwe informatie controleren. De zaak Ratiani/Georgië maakt dit duidelijk. Het gaat in deze zaak om een klager die enkel voor rechtsmiddelcontrole in aanmerking kwam als hij nieuwe feiten of omstandigheden kon aandragen die de juistheid van de bestreden beslissing in twijfel zouden trekken. In dit opzicht lijkt de Georgische regeling op de Nederlandse regeling van herziening. Het Comité oordeelt dat “the right of appeal entails a full review by a higher tribunal of the existing conviction and sentence at first instance. The possibility of applying to a Court to review a conviction on the basis of new evidence is by definition something other than a review of an existing conviction, as an existing conviction is based on evidence which existed at the time it was handed down.”1 Anderzijds hoeft nieuw bewijsmateriaal dat is opgekomen na de berechting in eerste aanleg in beroep niet in ogenschouw te worden genomen, ex tunc beoordeling van de feiten is dus toelaatbaar.2 Niet alleen hoeft de beroepsrechter niet zelf feitenonderzoek te verrichten, hij mag dus ook door anderen aangeleverd materiaal buiten beschouwing laten.
Wat voor feitenonderzoek geldt, geldt in zekere zin ook voor de toetsing aan het recht. De juridische toetsing in beroep mag enerzijds niet tot zeer specifieke gronden worden beperkt. Dit kan afgeleid worden uit de zaak Hachuel Moreno/Spanje, waarin het Comité over beroep bij de constitutionele rechter overweegt dat feiten én recht weliswaar aan de orde komen – zoals is vereist – maar de beperking tot constitutionele kwesties onvoldoende is om te kunnen spreken van een review in de zin van artikel 14 lid 5 IVBPR.3 Anderzijds lijken tardieve grieven buiten beschouwing te mogen worden gelaten. In de zaak Berry/Jamaica maakte het CRM er geen punt van dat in hoger beroep alleen verweren mochten worden gevoerd die reeds in eerste aanleg aan de orde waren gesteld – behoudens bijzondere omstandigheden.4
Moeilijk te plaatsen zijn tot slot de vrijwel altijd succesvolle klachten over zogeheten “supervisory review”.5 Het gaat in dit soort zaken kort samengevat om veroordelingen in eerste instantie door (de militaire kamer van) een hooggerechtshof, waarover vervolgens enkel bij het presidium van dat hof kan worden geklaagd. Het presidium kan een dergelijk beroep in behandeling nemen, maar is daartoe niet verplicht. De meeste zaken over dit onderwerp zijn afkomstig uit landen van de voormalige Sovjet-Unie, hetgeen volgens Hovens goed verklaarbaar is, aangezien door middel van supervisory review relatief gemakkelijk politieke controle op juridische procedures kan worden uitgeoefend.6
De afwijzing van dit soort toezichtmechanismen als review baseert het CRM op verschillende argumenten. Het eerste aanknopingspunt voor schending is de (mogelijke) onaanvaardbaarheid van intern beroep, de president behoort immers tot hetzelfde rechtscollege en telt derhalve niet als hoger gerecht. In veel zaken legt het Comité daarnaast de nadruk erop dat supervisory review enkel over rechtsvragen kan gaan – wat op zichzelf echter niet ontoelaatbaar is. Ten derde wordt in sommige zaken relevant geacht dat het supervisory review alleen openstaat tegen uitspraken die reeds onherroepelijk zijn geworden en tenuitvoerlegging daarom reeds mogelijk is.7 Uit deze jurisprudentie kunnen volgens mij niet of nauwelijks algemene conclusies worden getrokken. In de meeste zaken wijst het Comité op meer dan één van de genoemde argumenten en wijst het daarnaast op het grotendeels ongeregelde karakter van de supervisory review in het algemeen.8