Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.1:4.1 Inleiding
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.1
4.1 Inleiding
1
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859065:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een deel van dit hoofdstuk is eerder verschenen: De Vries, TE 2018/02 p. 37-42.
Asser 1838, p. 328, Diephuis 1847, p. 451-452, Van der Kemp 1870, p. 12 en 19-20, Suijling & Dubois 1931, p. 35, Voorduin 1838, p. 97 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 413. Zie ook par. 1.6.4.
Van der Kemp 1870, p. 19.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het oude recht is vergeving slechts beperkt mogelijk. Enkel in het testamentaire erfrecht bestaat hiertoe enige ruimte. De poging tot het ombrengen van de erflater uit artikel 885 lid 1 en de lasterlijke beschuldiging uit artikel 885 lid 2 OBW vormen in het oude testamentaire erfrecht geen grond voor onwaardigheid. Handhaaft de erflater na een poging tot ombrengen of na het uiten van een lasterlijke beschuldiging tegen hem de bevoordeling van de dader in zijn uiterste wil of benoemt hij de dader nadien in zijn testament, dan wordt hij geacht vergiffenis te hebben geschonken.2 In andere gevallen doet vergeving de onwaardigheid niet vervallen. Wordt bijvoorbeeld aan de voorwaarden van de lasterlijke beschuldiging uit artikel 885 lid 2 OBW voldaan en is de lasteraar niet bij testament benoemd, dan kan vergiffenis, bijvoorbeeld bij onderhandse akte geschonken, hem niet baten.3
Met de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003 wordt het laatste woord bij alle onwaardigheidsgronden aan de erflater gelaten. Van mishandeling tot een voltooide moordpoging, het nieuw ingevoerde artikel 4:3 lid 3 BW laat voor elke gedraging de mogelijkheid tot vergeving open. De nieuw ingevoegde bepaling luidt als volgt:
‘Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven.’
In dit hoofdstuk staat deze jonge loot aan de stam van het onwaardigheidsleerstuk centraal. Het hoofdstuk vangt aan met een korte beschouwing over de achtergrond van deze regel (par. 4.2). Vervolgens wordt stilgestaan bij het begrip ‘vergeven’ (par. 4.3), de wijze van vergeving (par. 4.4), het intrekken van de vergeving (par. 4.5), de gedeeltelijke vergeving (par. 4.6) en de vergeving bij voorbaat (par. 4.7). Daarna wordt een aparte paragraaf gewijd aan rechtspraak over ondubbelzinnige vergeving (par. 4.8). Tot slot wordt aandacht besteed aan de rol van de notaris bij vergeving (par. 4.9). Het hoofdstuk sluit af met een korte conclusie (par. 4.10).