Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.1:2.5.2.1 Beoordelingskader: artikel 284 Sr of artikel 3:44 BW?
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.5.2.1
2.5.2.1 Beoordelingskader: artikel 284 Sr of artikel 3:44 BW?
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859281:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de beantwoording van de vraag van de vaste commissie van justitie of bedreiging met een rechtshandeling, bijvoorbeeld ontslag, tot onwaardigheid leidt, gaat minister Beerman in 1962 nader in op het middel bedreiging met een feitelijkheid. Allereerst beantwoordt de minister de vraag van de commissie bevestigend: bedreiging met een rechtshandeling valt onder het bereik van artikel 4:3 lid 1 sub d BW. Ter toelichting merkt de minister op dat de redactie aansluit bij artikel 284 Sr. Voor de uitleg van het begrip feitelijkheid verwijst hij daarom naar de uitleg van dat begrip in artikel 284 Sr (in het algemeen alle handelingen die niet uitsluitend bestaan in het uitspreken van woorden). Bij die uitleg valt onder bedreiging met een feitelijkheid tevens bedreiging met een rechtshandeling.1
Voor uitleg van het begrip bedreiging dient volgens de minister artikel 3:44 BW als richtsnoer.2 Dat is opmerkelijk, nu de minister eerst opmerkt dat de redactie van artikel 4:3 lid 1 sub d BW bij artikel 284 Sr aansluit en hij voor de uitleg van het begrip feitelijkheid ook naar die strafbepaling verwijst. Artikel 284 Sr kent eveneens het middel bedreiging met een feitelijkheid. Waarom voor het begrip bedreiging niet bij die strafbepaling moet worden aangesloten, wordt niet duidelijk. De minister merkt op dat artikel 3:44 BW weliswaar alleen handelt over gevallen dat een rechtshandeling door bedreiging tot stand is gekomen, maar analogische toepassing op het geval dat het maken van een uiterste wilsbeschikking door een bedreiging is belet, ligt volgens de minister voor de hand.3 De wetgeschiedenis vertoont ook verder geen eenduidigheid op dit punt. Naar aanleiding van een opmerking van de Bijzondere Commissie voor de herziening van het Burgerlijk Wetboek, omtrent het ontwerp van wet tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Nieuw Erfrecht), inhoudende dat een rechtshandeling naar de taalkundige betekenis geen feitelijkheid is, merkt Minister Polak in een memorie van antwoord op dat er geen reden is om aan de term door een feitelijkheid of door bedreiging met een feitelijkheid dwingen in artikel 4:3 lid 1 sub d BW een andere rechtskundige betekenis te hechten dan aan die term toekomt in het verwante artikel 284 Sr, dat mede rechtshandelingen bestrijkt.4 Anders dan minister Beerman lijkt te zeggen ziet minister Polak artikel 284 Sr als leidraad.
Gelet op het voorgaande biedt de parlementaire geschiedenis geen uitsluitsel of voor de uitleg van het begrip bedreiging te rade moet worden gegaan bij het civiele recht of het strafrecht. Wat mij betreft dwingt deze onwaardigheidsbepaling ook niet tot het maken van een keuze. Artikel 4:3 BW is een civielrechtelijke bepaling, echter met duidelijke strafrechtelijke componenten. Dat spreekt ervoor om bij de uitleg van het begrip bedreiging het vizier niet enkel te richten op artikel 3:44 BW of artikel 284 Sr. Beide bepalingen kunnen bij de uitleg worden betrokken. Hiervoor pleit ook dat het Nederlandse recht een rechtsstelsel heeft waar zowel het civiele recht als het strafrecht onder vallen. Vanuit een streven naar rechtsuniformiteit kan voor de uitleg eveneens worden geput uit beide bepalingen. Kortom, zowel artikel 3:44 BW als artikel 284 Sr geven vorm en inhoud aan het begrip bedreiging in artikel 4:3 lid 1 sub d BW.