Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/7.5
7.5 Nadere omlijning van begrip ‘deelgenoten’
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS350408:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 7.3, 7.4.
Zie de in deze paragraaf vermelde verwijzingen naar literatuur en jurisprudentie.
De term ‘verweven gemeenschappen’ ontleen ik aan Van Mourik 2012, p. 29, noot 16. Van verweven gemeenschappen is sprake indien gemeenschappen die op grond van rechtsfeiten tot stand zijn gekomen in enigerlei mate samenvallen. In dit verband wordt ook wel gesproken over ‘samenvallende gemeenschappen’ (Van Mourik & Schols 2015, nr. 11 en 38) en ‘samengestelde gemeenschappen’ (Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 151).
Deze casus is overgenomen uit Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 151. Van Mourik bespreekt dezelfde casus in Van Mourik 2012, nr. 4.2 (p. 31), onder verwijzing naar de aan vorenbedoelde Asser/Perrick 3-V 2015 voorafgaande druk uit 2011, nr. 103.
Ten onrechte ontbreekt deze laatste zin in Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 151 gelet op de daar gegeven beantwoording. Deze tekortkoming kan worden ‘verklaard’ vanuit een historisch perspectief. Een soortgelijke casus als hierboven vermeld, komt voor in een discussie tussen Van Mourik en Perrick naar aanleiding van enkele rechtsvragen in WPNR. Zie: Van Mourik 1990, p. 654-655; Van Mourik 1991a, p. 304 [met een vergelijkbare casus, THS]; Perrick 1991, p. 445-447; Van Mourik 1991b, p. 447-448. De beantwoording van deze rechtsvragen had destijds plaats onder de vigeur van het oude erfrecht. Op grond daarvan zouden de kinderen F en G en langstlevende D uit eigen hoofde en voor gelijke delen tot het erfgenaamschap zijn geroepen en zouden zij als erfgenamen in zakenrechtelijke zin tot de nalatenschapsgoederen gerechtigd zijn geworden (art. 4:879, 880, 899, 899a OBW). Sinds de invoering van het nieuwe erfrecht leidt onverkorte overname van een dergelijke casus tot een andere uitkomst vanwege de toepasselijkheid van de wettelijke verdeling ten behoeve van de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot (art. 4:10, 11, 13 BW).
Art. 3:182 BW. Dit uitgangspunt blijkt tevens uit art. 3:195 BW.
Van Mourik 2012, nr. 4.2.
Van Mourik 2012, nr. 4.2.
Van Mourik 2012, nr. 4.2.
Van Mourik 2012, nr. 4.2.
Van Mourik 1991b, p. 448. Anders: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 151.
Van Mourik 1991b, p. 448. Anders: Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 151.
Zie (genuanceerd) anders over deze thematiek: Van Mourik & Verstappen 2014b, nr. 6.3, 6.5 en Van Mourik & Schols 2017, nr. 50.
Van Mourik 2012, nr. 4.2.
Zie par. 7.3, 7.4.
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 137.
Deze constatering laat onverlet dat het overeenkomen van een rechtshandeling van verdeling als zodanig geen beschikkings- of bestuurshandeling betreft.
Voor de regels van bestuur over de goederen van de gemeenschap van titel 1.7 BW, zie art. 1:97 BW. Zie ook Sikkema 2009, p. 533-537 voor een kritische bespreking van wetsvoorstel 28867 inzake ‘Wijziging van de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen)’ wegens een systematische onvolkomenheid in de verhouding tussen de voorgenomen bestuursregeling volgens art. 1:97 BW (ontwerp) en de omvang van de wettelijke gemeenschap volgens art. 1:94 BW (ontwerp) na aanname van het amendement Anker. Mede naar aanleiding van de bedoelde bespreking heeft de parlementaire behandeling geresulteerd in de ‘Wet van 27 oktober 2011 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek tot aanpassing van artikel 97 en reparatie van enkele technische onvolkomenheden die zijn opgetreden bij de totstandkoming van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen’, Stb. 2011, 505. Zie: Handelingen I 2009/10, 28867, 13 (p. 442); Neleman-Nuytinck 2010 (p. 5); Handelingen I 2010/11, 28867, 23 item 5 (p. 7).
In deze zin: Perrick 1991, p. 446-447; Luijten 1994, nr. 33, p. 3-4; Van Es 2011, nr. 14, p. 5; Van Mourik & Verstappen 2014b, nr. 3.6.3; Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 151. Vergelijk Van der Geld 2010, p. 78 e.v.
Zie (uitdrukkelijk) in lijn met Van Mourik: Rechtbank Leeuwarden 19 november 2008, ECLI:NL:RBLEE:2008:BG4914, r.o. 4.3-4.5. Zie anders Rechtbank Utrecht 12 mei 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM4456, r.o. 4.4. In laatstbedoelde zin is eveneens HR 28 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0976, NJ 1993, 468 het vermelden waard. In die zaak vordert een ex-echtgenote scheiding en deling van de nalatenschap van haar schoonvader, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De Hoge Raad spreekt deze uitvoerbaarheid uit. Door geen van de rechterlijke colleges in deze procedure wordt het deelgenoot zijn van de ex-echtgenote in de nalatenschap van haar schoonvader in twijfel getrokken, aldus Luijten 1994, nr. 33, p.4.
Dit geldt eveneens voor het wettelijke regime van een gemeenschap in verband met het aangaan van een geregistreerd partnerschap in de zin van art. 1:80a BW. Op grond van art. 1:80b BW zijn op een geregistreerd partnerschap de titels 6, 7 en 8 van Boek 1 BW van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het bepaalde omtrent scheiding van tafel en bed. Ter wille van de leesbaarheid refereer ik in het hier bedoelde verband enkel aan het huwelijk en de huwelijksgemeenschap.
Met ingang van 1 januari 2018 is in werking getreden de ‘Wet van 24 april 2017 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken’ (hierna: wet). Art. 1:94 lid 2 sub a BW van de wet bepaalt dat de wettelijke huwelijksgemeenschap in beginsel geen goederen verkregen ‘krachtens erfopvolging bij versterf, making, lastbevoordeling of gift’ omvat. Zie art. 1:94 lid 3 (sub b) en lid 4 BW over respectievelijk de zogenaamde in- en uitsluitingsclausule. Voor zover hier relevant bepaalt het eerste lid van art. IV van de wet dat op een gemeenschap van goederen ontstaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet, artikel 94 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing blijft zoals dat artikel luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet.
Zie par. 7.3, 7.4.
Hierboven is vastgesteld dat deelgenoten aan verdeling dienen mee te werken in hun hoedanigheid van deelgenoten. De noodzaak om in het kader van verdeling in een dergelijke kwaliteit op te treden kan worden afgeleid uit de aan verdeling ten grondslag liggende rechtsverhouding tussen de deelgenoten, die voortvloeit uit het gezamenlijk gerechtigd zijn tot goederen van de gemeenschap.1 De vraag kan worden gesteld of met deze constatering het begrip ‘deelgenoten’ voldoende is omlijnd.
In de literatuur en in de rechtspraak wordt van mening verschild over het antwoord op de vraag wie als deelgenoten aan de verdelingstafel dienen plaats te nemen.2 Deze vraag komt met name naar voren in het kader van de zogenaamde ‘verweven gemeenschappen’.3 Hiervan is sprake indien tijdens het bestaan van een gemeenschap (de ‘oudere’ gemeenschap) een aandeel hierin deel is gaan uitmaken van een andere gemeenschap (de ‘jongere’ gemeenschap). De problematiek laat zich illustreren aan de hand van de volgende casus.
Casus
Weduwe A overlijdt en laat krachtens versterferfrecht de kinderen B, C en D als erfgenamen achter. Voordat de nalatenschap wordt afgewikkeld, overlijdt E, de in algehele gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot van D, onder achterlating van de kinderen F en G. E heeft niet bij uiterste wilsbeschikking over zijn nalatenschap beschikt.4 D heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot ongedaanmaking van de wettelijke verdeling (art. 4:18 BW).5
De wet neemt tot uitgangspunt dat aan een verdeling alle deelgenoten dienen mee te werken.6 Van Mourik verdedigt voor een soortgelijke casus dat aan de verdeling van A’s nalatenschap enkel B, C en D dienen mee te werken.7 De medewerking van F en G acht hij niet aan de orde, aangezien F en G geen erfgenamen van A zijn, ook niet bij wijze van plaatsvervulling.8 Hiermee maakt Van Mourik een onderscheid tussen het gerechtigd zijn tot de gemeenschap en het gerechtigd zijn om aan de verdelingstafel aan te schuiven. Hij voert hiervoor het volgende argument aan:
‘Aan een verdeling van een gemeenschap dienen alleen de deelgenoten in de betrokken gemeenschap deel te nemen. Daartoe behoren niet personen die weliswaar economisch belang hebben bij die verdeling maar geen titel kunnen aanwijzen die hen tot deelgenoot in die gemeenschap maakt.’9
Van Mourik gaat ervan uit dat bij verdeling van gemeenschappen die in enigerlei mate met elkaar verweven zijn, het van belang is te onderscheiden dat iedere gemeenschap zijn eigen deelgenoten heeft.10 Ter verdediging van zijn standpunt voert hij eveneens aan dat het bestuur over de gemeenschapsgoederen op een zodanig bijzondere wijze is verknocht, dat deze verknochtheid zich verzet tegen onverkorte toepassing van de gebruikelijk op gemeenschappen toepasselijke regels van bestuur.11 Daarbij zou de bijzondere verknochtheid zelfs doorwerken na ontbinding van de (jongere) gemeenschap.12 Ten gevolge hiervan zou in de bovenstaande casus art. 1:94 lid 3 BW (oud) prevaleren boven de collectieve bestuursbevoegdheid zoals bedoeld in art. 3:170 BW (via art. 3:189 BW).13 Aldus zou het bestuur over het tot de jongere gemeenschap behorende aandeel in de oudere gemeenschap uitsluitend berusten bij deelgenoot D en zouden F en G, ondanks dat zij belanghebbenden zijn, niet als deelgenoten in de nalatenschap van A kunnen worden aangemerkt.14
Hierboven heb ik geconstateerd dat deelgenoten aan verdeling dienen mee te werken in hun hoedanigheid van deelgenoten.15Ik heb gesteld dat het optreden van ‘deelgenoten als deelgenoten’ kan worden afgeleid uit de aan verdeling ten grondslag liggende rechtsverhouding tussen de deelgenoten, die voortvloeit uit het gezamenlijk gerechtigd zijn tot goederen van de gemeenschap. Ik meen dat deze gerechtigdheid tot de goederen van de gemeenschap de grondslag vormt voor het aanmerken van een persoon als deelgenoot in een gemeenschap. Daar de uitoefening van ‘eigenaarsbevoegdheden’ bij uitstek is voorbehouden aan de beschikkingsbevoegde tot het goed,16 kan als criterium voor de vereiste medewerking door alle deelgenoten worden aangenomen dat hieronder dient te worden verstaan de medewerking door degenen die bevoegd zijn over de betreffende gemeenschapsgoederen te beschikken.17
Hoe werkt dit criterium uit in de bovenstaande casus? Ontbinding van de huwelijksgemeenschap maakt de gemeenschap vatbaar voor verdeling endoet de voor de ‘actieve’ huwelijksgemeenschap geldende bestuursregels18 – bestuur omvat mede de bevoegdheid tot beschikken19 – eindigen en de collectieve bestuursregel van art. 3:170 lid 3 BW op de rechtsverhouding tussen de (al dan niet voormalige) echtgenoten van toepassing zijn.20 Dit heeft tot consequentie dat in de bovenstaande casus aan verdeling dienen mee te werken B, C, D, F en G.
Een soortgelijke problematiek kan zich eveneens voordoen in andere gevallen dan de bovenbedoelde casus. Zo levert de positie van een (al dan niet voormalige) echtgenoot/niet-erfgenaam eenzelfde dispuut op indien deze via de ontbonden huwelijksgemeenschap zijn invloed wil laten gelden bij de verdeling van een nalatenschap waartoe zijn (al dan niet voormalige) echtgenoot als erfgenaam is gerechtigd.21 Het moge duidelijk zijn dat de mate waarin een goed al dan niet tot een gemeenschap gaat behoren mede afhankelijk is van het toepasselijke huwelijksvermogensregime22 – denk hierbij aan wettelijke of bij huwelijkse voorwaarden tot stand gekomen beperkte of uitge-sloten goederengemeenschappen – alsmede de toepasselijkheid van zogenaamde in- en uitsluitingsclausules.23
In de vorige paragrafen is vastgesteld dat deelgenoten aan de verdeling dienen mee te werken in hun hoedanigheid van deelgenoten. Een dergelijke vaststelling kan worden afgeleid uit de aan de verdeling ten grondslag liggende rechtsverhouding tussen de deelgenoten, die voortvloeit uit het gezamenlijk gerechtigd zijn tot goederen van de gemeenschap.24 Aan de hand van het bovenstaande kan tevens worden geconcludeerd dat het kwalificeren als deelgenoot in het kader van verdeling uit de op de goederen van de gemeenschap toepasselijke bestuursregels moet kunnen worden afgeleid. Daarmee is de invulling van het begrip ‘deelgenoten’ mijns inziens voldoende omlijnd.