Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.1.5:A.1.5 Skandia-Ramstedt
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.1.5
A.1.5 Skandia-Ramstedt
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634563:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een in Zweden gevestigde werkgever (Skandia) sluit ten behoeve van een van zijn werknemers (Ramstedt) een aanvullende pensioenverzekering af bij een Deense, Duitse of Britse verzekeringsmaatschappij. De premies die aan een van deze buiten Zweden gevestigde verzekeringsmaatschappijen worden betaald, zijn door Skandia niet aftrekbaar. Volgens het Skatterättsämnden bestaat geen recht op aftrek op het moment van betaling van de premies. Op het moment dat de verzekeringsmaatschappij tot uitkering overgaat, bestaat voor Skandia wel recht op aftrek. Wanneer een dergelijke verzekering wordt afgesloten bij een in Zweden gevestigde verzekeraar, zouden de premies wel direct ten laste van het resultaat van Skandia kunnen worden gebracht.
In de procedure voor het HvJ voert Zweden enkele rechtvaardigingsgronden aan: de noodzaak om de fiscale samenhang van het nationale stelsel te waarborgen, de doeltreffendheid van de fiscale controles, het streven de belastinggrondslag van de betrokken lidstaat te vrijwaren en de neutraliteit van de mededinging. Het HvJ accepteert de rechtvaardigingsgrond van de fiscale coherentie niet. Tussen premie-aftrek en belastbaarheid van de uitkeringen bestaat hier geen verband (in tegenstelling tot het Bachmann-arrest). Het HvJ wijst erop dat de werkgever geen enkele compensatie geniet voor het uitstel van de aftrek van de premies. Het HvJ bespreekt uitgebreid de andere rechtvaardigheidsgronden en verwerpt al deze gronden op basis van overwegingen die in de hierboven beschreven arresten aan de orde zijn gekomen.
In zijn arrest geeft het HvJ aan dat artikel 49 VWEU zich ertegen verzet dat een verzekering die wordt afgesloten bij een verzekeraar die is gevestigd in een andere EU-lidstaat en die voldoet aan alle wettelijke voorwaarden die onder de nationale wetgeving gelden voor een aanvullende pensioenverzekering, voor de belastingheffing anders wordt behandeld, met gevolgen voor de inkomstenbelasting die onder omstandigheden ongunstiger kunnen zijn. Met andere woorden: de fiscale behandeling van een pensioenregeling die bij een niet-ingezeten verzekeraar wordt afgesloten, mag niet ongunstiger zijn dan een die bij een ingezeten verzekeraar wordt verzekerd.