Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.1.9:A.1.9 Commissie/België
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.1.9
A.1.9 Commissie/België
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634740:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 28 januari 1992, C-204/90, ECLI:EU:C:1992:35, Jur. 1992, p. I-249 (Bachmann), zie paragraaf A.1.1.
HvJ EG 5 juli 2007, C-522/04, ECLI:EU:C:2007:405, Jur. 2007, p. I-5701 (Commissie/België), m.nt.Redactie Vakstudie Nieuws, V-N 2007/33.11.
HvJ EG 7 september 2004, C-319/02, ECLI:EU:C:2004:484, Jur. 2004, p. I-07477 (Manninen).
HvJ EG 8 november 2007, C-379/05, ECLI:EU:C:2007:655, Jur 2007, p. I-09569 (Amurta).
Zie ook paragraaf A.1.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In België werd de opbouw van pensioenvoorzieningen fiscaal gefaciliteerd. Er werd echter in een aantal gevallen een onderscheid gemaakt tussen binnenlandse situaties en situaties waarin sprake was van buitenlandse pensioeninstellingen. Zo was een binnenlandse waardeoverdracht geen belastbare handeling, terwijl een waardeoverdracht naar een buitenlandse pensioeninstelling wel belast werd. Er werd van buitenlandse verzekeraars zonder filiaal in België geëist dat zij een vaste vertegenwoordiger in België aanstelden alvorens zij hun diensten mochten aanbieden. Daarnaast waren in binnenlandse situaties werkgeversbijdragen en werknemerspremies aftrekbaar, maar dat was in buitenlandse situaties niet het geval. Tevens kende de Belgische wetgeving een fictie op basis waarvan bij emigratie belasting was verschuldigd alsof de belastingplichtige nog binnenlands belastingplichtig was. De Europese Commissie vond dat België hiermee in strijd handelde met het vrij verkeer van personen, het vrij verkeer van diensten en het vrij verkeer van kapitaal.
België deed onder andere een beroep op het tegengaan van misbruik en de in belastingverdragen opgenomen bepalingen inzake de verdeling van heffingsbevoegdheden. Het HvJ concludeerde echter dat van rechtvaardigingsgronden geen sprake was. Wat betreft de eis dat buitenlandse verzekeraars een vaste vertegenwoordiger moesten aanstellen alvorens hun diensten te kunnen aanbieden wijst het HvJ expliciet naar de Inlichtingen- en Invorderingsrichtlijn. Tevens kende de Belgische wetgeving maatregelen die de verwezenlijking van het doel op een andere manier verzekerden en minder belemmerend waren. België verliest de procedure en moet de nationale regelgeving aanpassen.
De redactie van Vakstudie Nieuws merkt in de aantekening bij het arrest op, dat met het onderhavige arrest – in elk geval voor België – duidelijk is geworden dat het arrest Bachmann1 definitief is achterhaald.2 Naar mijn mening is Bachmann echter nog niet afgeschreven, aangezien in latere arresten (zoals Manninen3 en Amurta4) een beroep op fiscale coherentie door het HvJ wordt geaccepteerd, weliswaar gepreciseerd en ten dele ingeperkt ten opzichte van Bachmann.5