Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.7
6.9.7 Bevoegdheden van de beslaglegger bij executoriaal beslag
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362, m.nt. Snijders.
Zie artikel 479l tot en met 479q Rv.
HR 29 oktober 2004, NJ 2006/203, AA 2005, p. 846, m.nt. Van Mierlo. Of een beslaglegger de bevoegdheid heeft om de wilsrechten uit te oefenen, is afhankelijk van de aard van het wilsrecht.
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362.
Zie over nevenrechten Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 8; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2016, nr. 262.
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362. Zie ook HR 7 januari 1983, NJ 1983/542.
HR 18 december 2015, NJ 2016/34. Zie ook Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 211.
HR 11 maart 2005, NJ 2006/362.
Wanneer de beslaglegger derdenbeslag heeft gelegd op de hoofdvordering, maar geen beslag heeft gelegd op de 403-vordering ziet de situatie er als volgt uit:
Figuur 23
Wanneer de beslaglegger X overgaat tot de executie van het gelegde derdenbeslag kan de vraag rijzen wat zijn positie is wanneer hij de hoofdvordering verkrijgt. Kan X een beroep doen op de 403-verklaring en tevens de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven aanspreken?
In de literatuur is meermaals betoogd dat de beslaglegger die tot executie overgaat, dient te worden beschouwd als een verkrijger van de rechten die de schuldenaar heeft jegens de derde-beslagene. De rechten van de schuldenaar zouden volgens die visie overgaan op de executerende beslaglegger. De Hoge Raad heeft echter beslist dat dit niet juist is.1
De Hoge raad heeft aangegeven dat het systeem van artikel 477 Rv in samenhang met artikel 477 Rv aan de executerende beslaglegger de bevoegdheid geeft om zijn vordering op zijn schuldeiser te verhalen door inning van de vordering op de derde-beslagene. Volgens de Hoge Raad oefent de schuldeiser daarom op grond van een eigen executierecht de aan de oorspronkelijk aan zijn schuldenaar toekomende bevoegdheid uit om de vordering waar derdenbeslag op is gelegd, te innen. Aan de executerende beslaglegger komen een aantal bevoegdheden toe. De belangrijkste is om de vordering executoriaal te verkopen. De beslaglegger heeft ook de bevoegdheid om de vordering die de schuldenaar heeft op de derde onder wie het beslag is gelegd, te innen.2 De beslaglegger treedt daarmee eigenlijk in de plaats van zijn schuldenaar die de bevoegdheid had om de vordering te innen. In verband met de 403-vordering is het interessant om na te gaan of de beslaglegger die tot executie overgaat nog meer rechten toekomen.
Uit de wet en uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat aan de beslaglegger die tot executie overgaat een aantal bevoegdheden toekomt die in verband staan met de inning van de vordering. Zo kan de beslaglegger een niet opeisbare vordering opzeggen en deze vordering op die manier opeisbaar maken.3 Ook is de beslaglegger bij de executie bevoegd om bepaalde aan een levensverzekering verbonden bevoegdheden uit te oefenen.4 Aan een beslaglegger die tot inning van de vordering overgaat, komt niet altijd de bevoegdheid toe aan de beslagen vordering verbonden wilsrechten uit te oefenen.5
In het kader van het uitwinnen van een beslagen vordering is het antwoord op de vraag of een 403-vordering kan worden beschouwd als een nevenrecht van de hoofdvordering dus eveneens relevant. Uit rechtspraak van de Hoge Raad6 vloeit namelijk voort dat een beslaglegger bij de executie van vorderingen, waarop hij derdenbeslag heeft gelegd, de nevenrechten kan uitoefenen die aan die vordering zijn verbonden. In artikel 6:142 lid 1 BW is bepaald dat bij de overgang van een vordering de verkrijger ook de nevenrechten verkrijgt. Van de overgang van de vordering die de schuldeiser op de derde-beslagene heeft, is, zoals hiervoor uiteen is gezet, geen sprake. Maar uit het hiervoor aangehaalde arrest volgt desalniettemin dat de beslaglegger de bevoegdheid heeft om de uit de nevenrechten voortvloeiende bevoegdheden uit te oefenen.
Bij de beantwoording van de vraag of een 403-vordering als een nevenrecht kwalificeert, zou eventueel aansluiting kunnen worden gezocht bij artikel 6: 142 lid 1 BW. Deze bepaling geeft enkele voorbeelden van rechten die als nevenrecht kwalificeren:7
Artikel 6:142 lid 1 BW
Bij overgang van een vordering op een nieuwe schuldeiser verkrijgt deze de daarbij behorende nevenrechten, zoals rechten van pand en hypotheek en uit borgtocht, voorrechten en de bevoegdheid om de ter zake van de vordering en de nevenrechten bestaande executoriale titels ten uitvoer te leggen.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een executerende beslaglegger een hypotheekrecht dat is verbonden aan de vordering die hij uitwint, kan inroepen.8 Voorts heeft de Hoge Raad in een uitspraak van 2015 overwogen dat een pandhouder op grond van zijn bevoegdheid om de verpande vordering te innen ook bevoegd is tot uitwinning van de aan deze vordering verbonden zekerheidsrechten.9 In deze uitspraak verwees de Hoge Raad naar zijn eerdere uitspraak uit 2005 inzake de executie bij beslag.10 De Hoge Raad lijkt daarmee als uitgangspunt te nemen dat nevenrechten en bevoegdheden die verband houden met inning van de vordering kunnen worden uitgeoefend door een beslaglegger wanneer deze overgaat tot executie.
Wanneer een 403-vordering een borgtocht-achtig karakter zou hebben gehad of als een nevenrecht zou kunnen worden aangemerkt, dan zou een beslaglegger die overgaat tot executie, op basis van artikel 6:142 BW de mogelijkheid hebben gehad om de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven aan te spreken. Dat is echter niet het geval. De beslaglegger mag bepaalde bevoegdheden die de schuldenaar had, uitoefenen wanneer hij tot executie overgaat. Om te zien om welke bevoegdheden dat gaat, dienen die bevoegdheden gekwalificeerd te worden. De kwalificatie van een 403-vordering is onduidelijk. Nu de kwalificatie van een 403-vordering onduidelijk is, zijn de gevolgen bij de inning van een vordering waarop de schuldeiser derdenbeslag heeft gelegd onduidelijk.