Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.1:6.9.1 Algemeen
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.1
6.9.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648838:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf zal worden onderzocht of de hoofdelijke aansprakelijkheid en het bestaan van twee vorderingsrechten aanleiding geven tot problemen bij het leggen van beslag. Om de problematiek van de hoofdelijkheid bij de samenloop tussen beslag en het groepsregime nader toe te lichten, kunnen onderstaande situatieschetsen behulpzaam zijn. De eerste schets geeft een situatie aan waarin de schuldeiser, die met de vrijgestelde rechtspersoon contracteerde, beslag legt onder de vrijgestelde rechtspersoon en de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven. Hij heeft twee separate vorderingsrechten en hij kan onder beide rechtspersonen beslag leggen:
Figuur 20
Naast bovenstaande situatie kunnen zich natuurlijk ook andere situaties voordoen:
Figuur 21
Wanneer schuldeiser X een vordering heeft op schuldenaar Y en schuldenaar Y nalaat te betalen, zal X verhaal proberen te halen op de vermogensbestanddelen van Y. Dat kan door middel van het leggen van beslag. Indien X beslag legt op vermogensbestanddelen van Y, dan heeft X te gelden als beslaglegger en Y als de beslagene.
Wanneer de reguliere regels van hoofdelijkheid onverkort van toepassing zijn binnen het groepsregime, hetgeen in lijn lijkt te zijn met de opvatting van de Hoge Raad, dan zullen er in bovenstaande situatie twee vermogensbestanddelen in het vermogen van Y zitten. De hoofdvordering van Y op Dochter BV en de 403-vor-dering van Y op Moeder BV. Wordt op deze vorderingen beslag gelegd dan hebben Moeder BV en Dochter BV te gelden als derde-beslagenen.
X dient zich ervan te vergewissen dat er twee vorderingsrechten zijn wanneer de 403-verklaring op het moment dat hij beslag legt al is afgegeven. Wordt de 403-verklaring pas afgegeven nadat hij beslag heeft gelegd, dan bestaat de 403-vordering uiteraard nog niet. X zal dan spoedig beslag moeten leggen op de 403-vordering om te voorkomen dat er een niet-beslagen 403-vordering ontstaat die Moeder BV kan aflossen door aan Y te voldoen. Het beslagen object, de hoofdvordering, gaat dan in beginsel op basis van de regels van hoofdelijkheid teniet.
Een andere vraag is wat de positie van X is wanneer hij geen beslag legt op de 403-vordering. Is X dan alsnog uit hoofde van zijn positie als executant bevoegd om een beroep te doen op de 403-verklaring? Of kan hij de bestaande 403-vorde-ring die op basis van de regels van hoofdelijkheid gekoppeld is aan de hoofdvordering ook incasseren?