Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.6:6.9.6 Beslag op toekomstige 403-vordering
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/6.9.6
6.9.6 Beslag op toekomstige 403-vordering
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648902:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Gezien de discretie die de vrijstellingsregeling biedt, is het niet denkbeeldig dat de vrijstellingsregeling wordt toegepast wanneer de dochtervennootschap in een branche zit die in zwaar weer verkeert en er mogelijk al derdenbeslagen zijn gelegd.
Zie voorts: HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285, m.nt. Scholten, r.o. 1 en HR 25 februari 1932, NJ 1932/301, m.nt. Scholten.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf kwam de situatie aan de orde waarbij door de beslaglegger, die derdenbeslag legt op een hoofdvordering, niet voorzien was dat de 403-vordering een zelfstandig vorderingsrecht is en de 403-vordering om die reden niet tevens was beslagen. Maar ook een beslaglegger die meer doortastend handelt, kan met een vervelende situatie worden geconfronteerd. Wanneer het 403-regime pas wordt toegepast nadat derdenbeslag op de hoofdvordering is gelegd, kan de beslaglegger niet de wetenschap hebben dat er een toekomstige 403-vordering ontstaat waarop hij tevens beslag dient te leggen. De vraag is of het überhaupt mogelijk is om beslag te leggen op een toekomstige 403-vordering. In deze paragraaf zal op deze uitzonderlijke maar niet ondenkbare situatie1 in worden gegaan.
Wanneer een schuldeiser derdenbeslag legt op een vordering van zijn schuldenaar op de vrijgestelde rechtspersoon dan kan de schuldeiser mogelijk willen anticiperen op de ongewenste situatie zoals beschreven in de vorige paragraaf. Wanneer er al een 403-verklaring ligt, zal hij tevens beslag leggen op de 403-vordering en uit de daaruit voortvloeiende toekomstige 403-vorderingen. Ligt die 403-verklaring er nog niet, maar wil de schuldeiser te allen tijde voorkomen dat hij achter het net vist, dan rijst de vraag of hij reeds op voorhand beslag kan leggen op een mogelijk toekomstige 403-vordering.
Als hoofdregel geldt dat toekomstige goederen in beginsel niet vatbaar zijn voor beslag. Met betrekking tot derdenbeslag worden op dit beginsel beperkte uitzonderingen gemaakt. Zie hiervoor artikel 475 lid 1 Rv:
Artikel 475 lid 1 Rv
Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploot van een deurwaarder (...)
Voor derdenbeslag zijn naast bestaande vorderingen tevens vatbaar de vorderingen die de schuldenaar rechtstreeks zal verkrijgen uit een rechtsverhouding die ten tijde van de beslaglegging reeds bestaat tussen de schuldenaar en de derde-beslagene.2
De omschrijving ‘rechtstreeks verkrijgen uit een ten tijde van de beslaglegging reeds bestaande rechtsverhouding’ geeft niet bepaald een vaste maatstaf. Wat wel duidelijk is, is dat de vordering moet voortvloeien uit een rechtsverhouding die reeds bestaat tussen de schuldenaar en de derde-beslagene. De vraag is in hoeverre kan worden gezegd dat een 403-vordering op de rechtspersoon die de 403-verklaring heeft afgegeven voortvloeit uit de bestaande rechtsverhouding die bestaat tussen de schuldenaar en de vrijgestelde rechtspersoon. Enerzijds is dat natuurlijk wel zo. Anderzijds kan de 403-vordering niet bestaan zonder de 403-verklaring, en vloeit de 403-vordering voort uit de 403-verklaring. Als die 403-verklaring pas na de beslaglegging wordt afgegeven, kan ten aanzien van de 403-vordering mogelijk moeilijk worden gesproken van een vordering die voortvloeit uit een rechtsverhouding die ten tijde van de beslaglegging reeds bestaat en dat dit een rechtsverhouding betreft tussen de schuldenaar en de rechtspersoon die de 403- verklaring heeft afgegeven. Een rechtsverhouding tussen die twee partijen bestaat op het moment van de beslaglegging nog niet.
Op basis van bovenstaande leidt een technische benadering tot de conclusie dat het leggen van derdenbeslag op een toekomstige 403-vordering niet mogelijk is wanneer de 403-verklaring nog niet is gedeponeerd. De ratio van de beperking met betrekking tot het leggen van derdenbeslag op toekomstige vorderingen verzet zich echter niet tegen het leggen van beslag op vorderingen die voortvloeien uit een in de toekomst te deponeren 403-verklaring.
In de parlementaire geschiedenis3 komt tot uitdrukking waarom in beginsel geen beslag kan worden gelegd op toekomstige vorderingen. Het voornaamste bezwaar tegen het onbeperkt toelaten van beslag op toekomstige vorderingen is volgens de parlementaire geschiedenis dat dit zou leiden tot een te grote belemmering in de bedrijfsvoering van de schuldenaar. Wanneer hij niet meer over zijn toekomstige vorderingen op zijn handelspartners en de betaaldienstverlener kan beschikken, komt mogelijk zijn hele bedrijfsvoering in de knel.4 Bij een 403-vordering die ter zekerheid strekt voor de nakoming van een hoofdvordering die reeds beslagen is, speelt dit bezwaar niet. De formulering van artikel 475 lid 1 Rv staat zeer waarschijnlijk in de weg aan het leggen van beslag op een toekomstige 403-vordering die zal voortvloeien uit een nog te deponeren 403-verklaring, maar bezien vanuit de ratio van deze beperking lijkt er geen materieel bezwaar tegen deze mogelijkheid te bestaan.