Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/13.4.2.0
13.4.2.0 Introductie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS577861:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ingevolge art. 2:391, lid 5, BW. Hierin is bepaald dat omtrent de naleving van een in een algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gedragscode voorschriften kunnen worden gesteld. Op basis hiervan is in december 2004 het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag vastgesteld. Daarin is (in art. 2) de Nederlandse corporate govemance code (zoals gepubliceerd in Stc. 2004, nr. 250) aangewezen als gedragscode. Over de (onduidelijkheden over de) reikwijdte van deze verplichting onder meer: Franx (2006), p. 468-469, Hijink (2006b), p. 461 en (2007c), p. 159, Grundmann-van de Krol (2006a), p. 260-261, (2007a), p. 252-254 en (2008), p. 331-332, Lieverse (2006), p. 141-142, en Josephus Jitta (2007), p. 465-466.
Vgl. het toenmalige art. 1 van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag. Onderdeel 1 van de preambule van de toenmalige Nederlandse corporate governance code kende overigens een andersluidende omschrijving van het toepassingsbereik ('De code is van toepassing op alle vennootschappen met statutaire zetel in Nederland en waarvan aandelen of certificaten van aandelen zijn toegelaten tot de officiële notering van een van overheidswege erkende effectenbeurs'). Franx (2006), p. 469, voetnoot 33, stelt dat aangenomen mag worden dat de doelgroep (van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag en de Nederlandse corporate governance code zelf) dezelfde vennootschappen betreft.
Art. XVIII van het Aanpassingsbesluit Wet op het financieel toezicht. Hierover Josephus Jitta (2007), p. 465. Hij merkt ten onrechte op dat door dit besluit 'de woorden 'een gereglementeerde markt in de zin van art. 1 onderdeel e van de Wet toezicht effectenverkeer 1995'' (in art. 1 van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag) zouden zijn vervangen en dat 'niet langer' zou worden gesproken over 'gereglementeerde markt'. Zoals hierboven is opgemerkt was voorafgaand aan 1 januari 2007 in art. 1 van het Vaststellingsbesluit nadere voorschriften inhoud jaarverslag echter de zinsnede 'officiële notering van een gereglementeerde effectenbeurs in de zin van art. 1, onderdeel e, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995' opgenomen. Het begrip 'gereglementeerde markt' kwam dus überhaupt niet voor. Dit onderscheid tussen 'gereglementeerde effectenbeurs' en 'gereglementeerde markt' is relevant, omdat onder een 'gereglementeerde effectenbeurs in de zin van art. 1, onderdeel e, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995' ook andere effectenbeurzen dan 'gereglementeerde markten' werden begrepen (vgl. Grundmann-van de Krol (2006a), p. 260 en (2007a), p. 253). Van een (beoogde) uitbreiding van de werkingssfeer door de vervanging van dit begrip per 1 januari 2007 door 'een markt in financiële instrumenten' — Josephus Jitta (2007), p. 465, spreekt ten onrechte van 'een markt voor financiële instrumenten' — is dan ook geen sprake (geweest). Het door Josephus Jitta als foutief voorbeeld aanhalen van de woorden 'gereglementeerde markt in de zin van art. 1 onderdeel e van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 cursv. J.B.S.H.)' is overigens sowieso opmerkelijk. In art. 1, onderdeel e, Wte 1995 was immers juist een definitie van het begrip 'effectenbeurs' opgenomen en niet van 'gereglementeerde markt'.
Een tweede voorbeeld van deze ontwikkeling is de in Nederland gevoerde discussie over het toepassingsbereik van de verplichting voor Nederlandse vennootschappen om in het jaarverslag mededeling te doen over de naleving van de principles en best practice bepalingen van de Nederlandse corporate governance code.1 Die (publicatie)verplichting is niet gebaseerd op een Europese verplichting die "volledig" geharmoniseerd is. In theorie zou de Nederlandse wetgever kunnen besluiten de verplichting om uitleg in het jaarverslag te verschaffen over de toepassing van de Nederlandse corporate governance code op uiteenlopende soorten naamloze (en zelfs besloten) vennootschappen toepasselijk te verklaren. In de praktijk is dat — terecht niet onbeperkt gebeurd. Oorspronkelijk was deze verplichting' van toepassing op alle statutair in Nederland gevestigde vennootschappen waarvan aandelen (of certificaten daarvan) zijn toegelaten tot de officiële notering van een gereglementeerde effectenbeurs als bedoeld in artikel 1, onder e van de Wte 1995.2 Vanaf 1 januari 2007 was, als gevolg van de inwerkingtreding van de Wft, voor het toepassingsbereik van deze verplichting relevant of van "toelating tot de officiële notering aan een markt in financiële instrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft (cursv. J.B.S.H.)" sprake was.3