Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/3.3
3.3 Rapport Vertoog over de toelating tot universiteiten 1809
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977379:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Staatscommissie-Meerman, NADH, BiZa, 1796/1813, inv. 896, fol 147: Rapport der Commissie tot de formatie der openbare en koninklijke hoogescholen en de aanmoediging van de wetenschappen en den geleerden, z.p. 1807 en M.J. van der Burg, Nederland onder Franse invloed. Culturele overdracht en staatsvorming in de napoleontische tijd 1799-1813, (diss. UvA), Amsterdam: De Bataafsche leeuw 2009, p. 162.
Staatscommissie-Van Swinden, ANP, AF IV 1787, p. 5, 8 november 1808.
Rapport van den Staatsraad Van Swinden, Vertoog over de Universiteiten, met betrekking tot het stelsel van openbaar onderwijs, en tot alle de inrigtingen die tot hetzelve, middellijk of onmiddellijk behooren, aangebooden aan Zijne Majesteit den Koning van Holland (24 juni 1809), s-Gravenhage 1809, Van Hoorn 1907, p. 275-278 en Bolkestein 1914, p. 55-77.
K.Tilmans, ‘Goethalsius’, De zeventiende eeuw 2000, p. 69 e.v.
Kloek & Tilmans 2002, p. 5.
Rapport Vertoog c.a., 1809; M. van der Burg, ´Une nation, naturellement si studieuse´, in: L. Dorsman & P. Knegtmans (red.), Universiteit, publiek en politiek. Het aanzien van de Nederlandse universiteiten,1800-2010, Hilversum: Verloren 2012, p. 21.
B.H. Kazemier, ´Macht en onvermogen van de wetgever´, in: G.A. van Poelje (red.), Gesprek der opvoeders, liber amicorum voor R. Casimir, Amsterdam/Antwerpen: WB 1952, p. 117: ’De onmacht van de wetgever kan zich ook manifesteren in de onoverzichtelijkheid der wetgeving, in een gebrek aan systematiek en innerlijke samenhang. Dit euvel wordt groter naarmate de wetgever zich genoodzaakt ziet zijn bemoeiingen over meer gebieden van het maatschappelijk leven uit te strekken. Wellicht nog bedenkelijker is het, als de wetgeving geen gelijke tred houdt met gewijzigde rechtsovertuigingen en nieuwe maatschappelijke behoeften. Macht en onvermogen van de Nederlandse wetgever weerspiegelen zich in de overheidsbemoeiing met het onderwijs in de 19e en 20e eeuw’.
De in 1807 ingestelde Staatscommissie-Meerman1 adviseert de regering over de positie van de universiteiten en de aansluitingen van de curricula van de voorbereidende Latijnse school. In 1808 krijgt de Staatscommissie-Van Swinden de opdracht te adviseren over het nationale onderwijsstelsel.2
Vertoog over de universiteiten 1809
In het in 1809 verschenen rapport Vertoog over de Universiteiten is de invloed zichtbaar van de natuurwetenschappen en de toenemende behoeften van het moderne leven - die ook een rol spelen binnen het ‘middelbaar onderwijs’.3 De commissie-Van Swinden stelt vast dat de Latijnse scholen onderwijzen conform het gedachtengoed van de zeventiende-eeuwse Brugse humanistische advocaat Goethalsius.4 Hun doel is de geleerde vorming tot het leiden van een deugdzaam leven binnen de burgergemeenschap, waarin zij gerechtigheid zullen nastreven. De commissie beschouwt deze scholen als te beperkt, daar ze geschikt zijn voor hen die ‘een loopbaan in de klassieke letteroefeningen ambiëren.5 ‘Het is echter hoog tijd die kundigheden te leren die nuttig zijn voor de moderne maatschappij als talen en wis- en natuurkunde’.6 Ondanks maatschappelijke en staatkundige ontwikkelingen en de stelseladviezen van de Staatscommissies blijft op de Latijnse scholen alles bij het oude.7