Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.2.2.2
2.2.2.2 Vormvrije overeenkomst
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS385825:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Arnhem 13 januari 1994, ECLI:NL:RBARN:1994:AH4440, r.o. 12, KG 1994/71 (Showorkest Dance).
HR 24 juni 1932, NJ 1932, p. 1587, m.nt. PS (Stilzwijgende maatschapsovereenkomst) en HR (burgerlijke kamer) 16 mei 1902, W. 7775 (Erwtenman/Hoepelman): ‘dat die akte niet is de onmisbare voorwaarde voor het bestaan van zoodanige vennootschap.’
HR (burgerlijke kamer) 16 mei 1902, W. 7775 (Erwtenman/Hoepelman).
Zie hierover: HR 24 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5861, NJ 1978/431, m.nt. B. Wachter; HR 14 april 1961, NJ 1961/446; Rb. Zutphen 15 december 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BV0486, RO 2012/27.
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, JOR 2011/361, m.nt. Chr.M. Stokkermans; NJ 2012/75, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van den Eijnde/Fuchs). HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers) en HR 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2651, NJ 2005/239 (Diosynth/Groot).
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, NJ 1998/149 (Groen/Schoevers).
HR 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3876, JOR 2011/361, m.nt. Chr.M. Stokkermans; NJ 2012/75, m.nt. P. van Schilfgaarde (Van den Eijnde/Fuchs).
Rb. Utrecht 28 september 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7221, r.o. 4.5.
HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ1487, NJ 2007/448; Hof Leeuwarden 6 september 2011, ECLI:NL:GHLEE:2011:BR6821. Zie ook (mijn wenk bij) Rb. Zutphen 15 december 2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BV0486, RO 2012/27.
HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner (Ermes/Haviltex).
HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, r.o. 3.4.3, NJ 2007/575 (Meyer Europe/Pontmeyer). Zo ook in HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909, NJ 2007/576, m.nt. M.H. Wissink (Derksen/Homburg).
Rb. Rotterdam 11 januari 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV1956, RO 2012/33.
Rb. ’s-Gravenhage 8 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR7121, r.o. 3.8.
Zie hierover voor het Duitse recht: Armbrüster 2009. Armbrüster schrijft onder andere dat naar Duits recht tegenwoordig aanvaard wordt dat voor de wijziging van de vennootschapsovereenkomst bij meerderheid in beginsel een algemene omschrijving volstaat, maar dat het Bundesgerichtshof voor de vaststelling bij meerderheid van een extra inbreng strengere eisen stelt; er moet bijvoorbeeld afgesproken zijn hoe hoog een aanvullende inbreng maximaal mag zijn.
Aan de overeenkomst worden geen vormvereisten gesteld; zij kan dus mondeling,1 schriftelijk en zelfs stilzwijgend2 worden gesloten. De schriftelijkheidseis van art. 22 WvK betreft slechts een dwingend bewijsvoorschrift; als een (vermeend) vennoot tegenover een betwistende (vermeende) medevennoot of een derde wil bewijzen dat er een VOF bestaat,3 dan dient hij dit te bewijzen bij authentieke of onderhandse akte.4 In het bijzonder wanneer een schriftelijk vennootschapscontract ontbreekt, kan onduidelijkheid bestaan over de vraag of een VOF tot stand is gekomen. Of de verschillende elementen van maatschap aanwezig zijn, moet worden afgeleid uit de omstandigheden van het geval, waaronder de feitelijke gedragingen en verklaringen van partijen5 en de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden, in hun onderling verband bezien.6 Wat de voor totstandkoming van de overeenkomst vereiste wil van partijen betreft, gaat het om de wil zoals deze uit de objectief te interpreteren tussen partijen bestaande contractuele verhouding blijkt. Omstandigheden en aanwijzingen die van belang zijn, zijn verklaringen en gedragingen van partijen, dat wat partijen over en weer uit deze verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden en de perceptie van alle betrokken ‘vennoten’ (die bijvoorbeeld kan blijken uit hoe zij reageren op de kwalificatie als maatschap door derden).7 Als een aantal voorheen samenwerkende personen tijdens een diner op de menukaart ‘enavant ensemble’ schrijft en daarbij handtekeningen zet, is geen sprake van een nieuwe maatschap als niet bij alle partijen daadwerkelijk de wil om samen te werken aanwezig is.8 Is het bij het aangaan van de overeenkomst wel de bedoeling geweest om een VOF tot stand te brengen, maar wordt de overeenkomst in de praktijk niet als vennootschapsovereenkomst maar bijvoorbeeld als arbeidsovereenkomst uitgevoerd, dan is geen sprake van een VOF maar van een arbeidsovereenkomst.9
Als een schriftelijke vennootschapsovereenkomst is gesloten en er ontstaan geschillen over afzonderlijke bepalingen, dan is overeenkomstig de Haviltex-maatstaf niet alleen de taalkundige uitleg van belang, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.10 Daarbij kan van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen de partijen behoren en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. In geval van een zeer uitvoerige en gedetailleerde (commerciële) overeenkomst die is tot stand gekomen na intensieve onderhandelingen met bijstand van deskundigen, ligt een taalkundige uitleg wellicht meer voor de hand.11 Wordt daarentegen gebruik gemaakt van een, op zichzelf in duidelijke bewoordingen opgesteld, standaardcontract zonder dat partijen deskundig zijn begeleid en leidt een taalkundige uitleg van een bepaling tot onredelijke gevolgen, dan kan de rechter de gevolgen van de bepaling matigen op grond van de redelijkheid en billijkheid.12 Bevat de overeenkomst leemtes, dan komt het aan op wat redelijk en billijk is in de gegeven situatie.13
Wijziging van de vennootschapsovereenkomst geschiedt met algemene stemmen (voor de totstandkoming van een overeenkomst is immers aanbod en aanvaardig van alle partijen nodig, art. 6:217 BW), tenzij is overeen gekomen dat dit met een bepaalde stemmenmeerderheid kan. Hoe specifiek een dergelijke bepaling moet zijn, hangt mijns inziens af van het desbetreffende onderwerp. De afspraak dat alle besluiten bij gewone meerderheid mogen worden genomen omvat niet het voor een van de vennoten zeer ingrijpende besluit dat hij een aanvullende substantiële inbreng moet doen als dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 6:248 BW).14