Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.2.2.1
2.2.2.1 Op rechtsgevolg gerichte wil
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS384601:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Huizink 2011, p. 11-12.
Van een gewichtige reden is sprake indien, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs van een of meer van de vennoten niet langer kan worden gevergd dat het vennootschappelijk verband wordt voortgezet. Vgl. Kamerstukken II 2002/03, 28746, 3, p. 32 (MvT).
Rb. Utrecht 12 januari 1938, NJ 1939/65 (Stork/De Liefde).
Dit gebeurde bijvoorbeeld in HR 3 december 1948, NJ 1949/358 (N.V. Geldersch Dagblad); Rb. Utrecht 12 januari 1938, NJ 1939/65 (Stork/De Liefde) en HR 8 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0414, NJ 1990/607 (Gebroeders Kruithof).
HR 5 juni 1970, ECLI:NL:HR:1970:AB7022, NJ 1970/429 (Nederveen/Chambille).
Zie de noot van Houwing bij HR (belastingkamer) 15 februari 1950, NJ 1950/263 (Tijdelijke banketbakker).
HR 13 juni 1969, ECLI:NL:HR:1969:AB4665, NJ 1969/384, m.nt. G.J. Scholten (Warnderink Vinke).
In de invoeringswet bij het Wetsvoorstel personenvennootschappen was dit uitdrukkelijk bepaald, Kamerstukken II 2006/07, 31065, 2, p. 1.
Vgl. Feteris 1987, p. 87-93.
Noot Houwing bij HR (belastingkamer) 15 februari 1950, NJ 1950/263 (Tijdelijke banketbakker).
Van Veen 2005, p. 134.
Meijers 1924, I-24.
HR (Derde kamer) 8 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0445, r.o. 4.1, NJ 1986/358, m.nt.J.M.M. Maeijer (Samenwonersmaatschap?).
HR (Derde kamer) 8 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0445, r.o. 4.1, NJ 1986/358, m.nt.J.M.M. Maeijer (Samenwonersmaatschap?).
Mohr 2009, p. 18.
Met verwijzing naar HR (Belastingkamer) 8 maart 1989, NJ 1989/817, m.nt. P.A. Stein.
Een maatschap is een obligatoire (art. 6:213 lid 1 BW) overeenkomst1 tussen twee of meer partijen die intuitu personae (met het oog op de persoon) wordt aangegaan. Op de overeenkomst zijn in het bijzonder Titel 2 van Boek 3 BW (art. 3:32 e.v.) over rechtshandelingen en Titel 5 van Boek 6 BW (art. 6:213 e.v.) over overeenkomsten in het algemeen van toepassing, tenzij een maatschapsbepaling of de aard van de rechtsverhouding zich tegen toepassing verzet. Een voorbeeld van een bepaling tegen toepasselijkheid waarvan de aard van de vennootschapsovereenkomst zich verzet, is de opschorting van verplichtingen door een vennoot als een andere vennoot zijn verplichtingen niet nakomt. Wel staan in een dergelijk geval andere mogelijkheden ter beschikking: ieder van de vennoten kan bij de rechter een vordering tot ontbinding wegens gewichtige redenen2 instellen (art. 7A:1684 lid 1 BW), de vennootschap kan (daarnaast3) mogelijk schadevergoeding vorderen op grond van art. 6:74 BW4 of op grond van art. 6:162 BW en mogelijk voorziet de vennootschapsovereenkomst zelf in een oplossing (bijvoorbeeld: recht tot vordering van onmiddellijke ontbinding door een of meer vennoten5 of tot opzegging aan de wanpresterende vennoot).
Het bepaalde in art. 3:33 BW brengt mee dat een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil vereist die zich door een verklaring heeft geopenbaard. De maatschap is een affectio societatis, wat betekent dat het de uit de inhoud van de overeenkomst af te leiden wil van de vennoten is om met elkaar samen te werken op voet van gelijkheid6 of ‘dat partijen beoogden, tussen hen een verhouding als van vennoten te doen ontstaan’.7 Beter lijkt het mij hier te spreken van ‘gelijkwaardigheid’. Samenwerking op voet van gelijkheid betekent niet dat de posities van de verschillende vennoten volstrekt gelijk moeten zijn, maar belangrijk is dat er geen sprake is van ondergeschiktheid van de ene vennoot aan de andere. Een ongelijke winstverdeling, het bestaan van senior- en juniorvennoten en zelfs de bevoegdheid van de seniorvennoot om de vennootschap aan een juniorvennoot op te zeggen, zijn geoorloofd.8 Een arbeidsovereenkomst tussen vennoten of tussen de VOF en een vennoot is echter uitgesloten.9 De grens tussen dienstbetrekking en gelijkwaardigheid is soms vaag.10 Houwing stelt dat enkele afrekening over het resultaat van de VOF niet volstaat, maar dat vennoten over hun aandeel in de samenwerking rekening en verantwoording schuldig zijn en daarvoor jegens elkaar aansprakelijk zijn.11 Een van de kenmerken van gelijkwaardigheid is volgens Van Veen dat een vennoot zeggenschap heeft over de uitvoering van zijn eigen werkzaamheden.12 Meijers verwoordde het onderscheid tussen arbeidsverhouding en maatschap als volgt:
‘Een aandeel in de winst van eene onderneming is loon, indien de bevoegdheid van dengene, die recht op dit aandeel heeft, niet verder gaat dan het inzage nemen der boeken en bescheiden, noodig om het bedrag van zijn winstaandeel vast te stellen. Het houdt op loon te zijn, indien hij van den beheerder der onderneming niet alleen mededeeling dezer gegevens, maar ook verantwoording van diens beleid kan verlangen. Alsdan staat hij niet meer als loontrekker tegenover den beheerder van de onderneming, maar als deelhebber in de onderneming.’13
Het oordeel van het Hof Amsterdam dat een vennootschapsovereenkomst ertoe moet strekken de vennoten in actieve samenwerking in het economische verkeer door middel van hun inbreng voordeel te doen behalen, is volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.14 Het beheren van gemeenschappelijke goederen door samenwoners volstaat in elk geval niet, omdat daarmee niet wordt deelgenomen aan het economische verkeer.15 Wat moet men dan verstaan onder ‘actieve’ samenwerking? Niet vereist is dat iedere vennoot arbeid levert, maar wel moet iedere vennoot mede het beleid bepalen dat moet leiden tot verwezenlijking van het gemeenschappelijke doel16 en daarvoor de verantwoordelijkheid nemen.17