Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/7.3.2.3
7.3.2.3 Het LRGD getoetst in het licht van § 6.3.4
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702049:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De meeste deskundigen hebben een foto bijgevoegd.
Van Spaendonck & Keijser, TREMA 2014/2.
Dat de beroepsvereniging een gedragscode heeft, is voor het LRGD een conditionele voorwaarde om als ‘zelfstandig kwalificerend’ aangemerkt te kunnen worden.
Er is evenwel geen jurisprudentie van de tuchtrechter bekend over het optreden van een advocaat als onteigeningsdeskundige. Zie ook: Van Heijst, O&A 2018/3, p. 18.
Zie bijvoorbeeld: Tuchtcollege NRVT 20 december 2017, 20170906.
Zie rechtspraak.nl
Volgens de website van het LRGD is de Raad slechts tweemaal in actie moeten komen. Bij één zaak was een onteigeningsdeskundige betrokken die wegens vermeende partijdigheid niet op onafhankelijke wijze geadviseerd zou hebben. De klacht werd middels een voorzittersbeslissing (art. 4.4 Reglement) kennelijk ongegrond verklaard.
Zie website LRGD onder het kopje ‘Aanmelding registratie’ of via https://www.lrgd.nl/Portals/1/registratie/20200323_GespecificeerdeVakgebieden.pdf
Hiermee wordt gedoeld op ‘zelfstandig kwalificerende’ beroepsverenigingen zoals de Stichting Verenigd Register van Taxateurs (VRT), het Nederlands Register Vastgoed Taxateurs (NRVT), de Nederlandse Vereniging van Rentmeesters (NVR), VBO Makelaar en de Nederlandse Vereniging van Makelaars o.g. en vastgoeddeskundigen (NVM). Lidmaatschap van de VvOR is aanvullend, maar niet afdoende of verplicht.
Voor onteigeningsdeskundigen noemt het LRGD bijvoorbeeld de Kenniswerkgroep Onteigening (NVM) en de Leergang Onteigeningsrecht (CPO Nijmegen). Voor nadeelcompensatiedeskundigen/planschadeadviseurs kan gedacht worden aan diverse opleidingen van het IBR zoals ‘Actualiteiten Omgeving’. De opleiding op basis waarvan de toelating heeft plaatsgevonden telt niet mee. Andere denkbare manieren om de PE-punten te behalen zijn bijvoorbeeld het publiceren over een onderwerp op het gebied van het optreden als gerechtelijke deskundige of het aanleveren van een casestudy op dat gebied. Een en ander staat ter controle van de PE-commissie van het LRGD.
De deskundige belandt eerst in een opschortingsfase van drie maanden. Wordt na drie maanden nog steeds niet aan de PE-eis voldaan, volgt doorhaling en schrapping.
Keijser & Mulder, Lessen uit het Register van Gerechtelijk Deskundigen.
Zie de toelichting bij het aanvraagformulier voor de accreditatie. Via: https://www.lrgd.nl/nl-nl/Deskundigheid/Aanvraag-Accreditatie.
Voorbeeld ontleend aan Sluysmans die uit eigen ervaring het gevaar van niet geëxamineerde PE-activiteiten beschrijft: Sluysmans 2018, p. 20-21.
Sluysmans 2018, p. 20-21.
Net als Dix moet ook het LRGD worden gewogen aan de hand van de gezichtspunten uit § 6.3.4. Met betrekking tot de aan het register te stellen eisen valt het direct op dat het LRGD een veel serieuzere en daadkrachtigere organisatie is dan deskundigenindex Dix. Het LRGD heeft een professionele en openbare website waarop veel informatie over de historie, doelstellingen en werkwijze van het register is te vinden. Het is voor een deskundige die opgenomen wil worden duidelijk aan welke (inhoudelijke) eisen hij moet voldoen en hoe de toelatingsprocedure eruitziet. Via het kopje ‘zoek een deskundige’ is het voor eenieder die dat wenst mogelijk om het register te doorzoeken. De zoekfunctie is uitgebreid. Dat betekent dat het mogelijk is om een specifieke deskundige op naam te zoeken, maar ook om per rechtsgebied, beroepsorganisatie of zelfs specifiek vakgebied te zoeken.
De namen van de deskundigen zijn clickable en leveren nadere informatie op over de achtergrond en personalia van de deskundige. Het LRGD heeft een raamwerk van verplichte informatie opgesteld. Zo zijn van iedere deskundige zijn of haar contactgegevens, relevante opleidingen, rechtsgebieden, vakgebieden, beroepsorganisaties en specialisaties zichtbaar. Onderaan de pagina wordt de deskundige in de gelegenheid gesteld om nadere informatie aan te leveren. Binnen het verplichte raamwerk zijn deskundigen ook vrij om naar eigen inzicht in verdere details te voorzien.1 Daar wordt wisselend gebruik van gemaakt; de ene pagina is uitvoeriger dan de andere, hetgeen doorslaat in de professionaliteitsperceptie. Van de onteigeningsdeskundigen heeft ongeveer de helft (23 van de 50) zijn persoonlijke pagina van voldoende informatie voorzien. Vijftien deskundigen dienen hun pagina van enkele toevoegingen te voorzien en van twaalf deskundigen is de aangeleverde informatie onvoldoende. Ik breng in herinnering dat een grondige en gedetailleerde pagina op de website van het register vereist is. Indien daaraan niet wordt voldaan, dan zal een disclosure statement – naast de zaakgerelateerde aspecten – ook moeten voorzien in het algemene gedeelte van informatie (§ 6.2.5 en verwijzingen aldaar). Op dit moment kan niet van iedere geregistreerde onteigeningsdeskundige worden gezegd dat de informatie voldoende is voor een volledig inzicht in diens deskundigheid. Het LRGD kan de informatietoevoer en uniformiteit verhogen door bijvoorbeeld de deskundigen die zijn achtergebleven daarop te wijzen of als onderdeel van het verplichte raamwerk een LinkedIn en/of website-koppeling op te nemen.
Het LRGD is organisatorisch duidelijk ingericht. Via de website (kopje ‘organisatie LRGD’) komt naar voren welke organisatie-eenheden er zijn en wat hun onderlinge taakverdeling is. Het LRGD dient ervoor te waken dat haar organisatie-eenheden niet te veel uit ingeschrevenen bestaan. Thans bestaan alleen de Raad van Toezicht en de Commissie van Toelating volledig uit niet-ingeschrevenen. De overige organisatie-eenheden, meestal niet groter dan drie personen, bestaan uit minstens één deskundige die geregistreerd is bij het LRGD. Een onafhankelijke bezetting van de organisatie-eenheden is belangrijk voor een onafhankelijke taakuitoefening van die organisatie-eenheden. Het LRGD lijkt zich hiervan bewust en heeft, via twee van haar prominenten, de rechterlijke macht verzocht om tot meer samenwerking te komen.2
Op het gebied van gedragscodes en tuchtrecht kiest het LRGD voor een ondergeschikte rol. Voor wat betreft de vakinhoudelijke gedragsaspecten sluit het LRGD aan bij de gedragscode van de relevante beroepsorganisatie.3 Voor de onteigeningsdeskundige-jurist geldt dat deze als advocaat is onderworpen aan de gedragsregels voor advocaten en het advocatentuchtrecht. Die regels gelden onverkort wanneer een advocaat als gerechtelijk deskundige optreedt.4 De onteigeningsdeskundige-taxateur zal lid zijn van het NRVT, de NVR en/of de NVM. Al deze beroepsverenigingen hebben een gedragscode die wordt gehandhaafd met tuchtrecht. Sporadisch worden de tuchtrechtelijke instanties ook geconfronteerd met klachten jegens een taxateur die als rechtbankdeskundige in een onteigeningsprocedure is opgetreden.5
Naast deze vakinhoudelijke gedragscodes hanteert het LRGD ook – afhankelijk van het rechtsgebied waarin wordt geadviseerd – een gedragscode voor het optreden in rechte.6 Zo is voor onteigeningsdeskundigen de “Gedragscode gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijk zaken”7 van toepassing. Het tuchtrecht van het LRGD vervult een vangnetfunctie. Artikel 1.2 van het Reglement voor de Tuchtrechtspraak schrijft namelijk voor dat de Raad voor de Tuchtrechtspraak bevoegd is om kennis te nemen van klachten met betrekking tot de schending van de van toepassing zijnde gedragscode door in het LRGD inschreven gerechtelijke deskundigen, tenzij een ander tuchtcollege bevoegd is om kennis te nemen van de klacht.” Is zulks niet het geval dan kan de klacht conform het genoemde Reglement voor de Tuchtrechtspraak bij het LRGD worden ingediend. Op grond van artikel 4.17 van het Reglement worden de uitspraken van de Raad voor de Tuchtrechtspraak op de website gepubliceerd.8 Dat er slechts drie uitspraken zijn gepubliceerd, heeft onmiskenbaar te maken met het feit dat de relevante beroepsorganisaties voorzien zijn van tuchtrecht. Het regelende karakter van art. 1.2 van het Reglement verleent dat tuchtrecht voorrang.
Tenslotte moet – in het kader van de wijze van oprichting – worden opgemerkt dat het LRGD een stichting is en dus een privaatrechtelijke rechtspersoon. Omwille van de in § 6.3.4 genoemde redenen verdient een wettelijk gelegitimeerd en publiekrechtelijk vormgegeven register (zoals het NRGD) de voorkeur. Dat is echter een onvolkomenheid die buiten de directe invloedssfeer van het LRGD ligt. In hoofdstuk 9 – waarin ik met suggesties voor verbetering kom – wordt een mogelijke fusie van het NRGD en het LRGD uitgediept.
In § 6.3.4 kwam reeds naar voren dat er, naast de op- en inrichtingseisen, ook eisen zijn die het register aan zijn kandidaten moet stellen voor toelating en blijvende toelating. In tegenstelling tot Dix stelt het LRGD die eisen ook. Blijkens de reglementen van het LRGD vallen onteigeningsdeskundigen onder de zogenaamde ‘gespecificeerde vakgebieden’. Dat betekent dat de toelatingseisen voor hen anders zijn dan voor andere deskundigen.9 Voor de onteigeningsdeskundige-jurist geldt dat deze:
Lid moet zijn van de VOA;
Langjarige ervaring moet hebben als advocaat in onteigeningszaken, bij voorkeur optredend voor zowel onteigenaars als onteigenden;
Een voor het LRGD afgegeven VOG moeten overleggen.
Voor de onteigeningsdeskundige-taxateur geldt dat deze:
Lid moet zijn van een voor de onteigeningspraktijk relevante beroepsvereniging die waarborgt dat de leden voldoende kennis hebben op hun vakgebied;10
Geregistreerd moet zijn in het Register DOBS ten blijke van het beschikken over de vereiste vaardigheden;
Over een diploma moet beschikken van een door het LRGD geaccrediteerde opleiding op het gebied van het onteigeningsrecht;
Een voor het LRGD afgegeven VOG moet overleggen.
Naast deze specifieke toelatingseisen voor onteigeningsdeskundigen geldt voor iedere LRGD-deskundige dat deze diens kennis omtrent het optreden in rechte op peil moeten houden door middel van PE. De deskundige is verplicht om over een periode van vijf aaneengesloten jaren dertig PE-punten te behalen. De deskundige bepaalt zelf de verdelingslast, zij het dat jaarlijks minstens zes contacturen aan PE-activiteit moet worden gevolgd.
Het LRGD heeft een reglement vastgesteld dat het PE-systeem aan de hand van rubrieken uitwerkt.11 Daaruit volgt dat de PE-punten op meerdere manieren kunnen worden behaald. De meest voor de hand liggende manier is het volgen van opleidingen, seminars en/of cursussen die vooraf door het LRGD zijn geaccrediteerd.12 Er is een PE-commissie ingesteld die het bestuur adviseert ten aanzien van het te voeren beleid en toeziet op het naleven van de verplichtingen. Wanneer de deskundige niet, of niet tijdig voldoet aan zijn juridische PE-verplichtingen kan dit gevolgen hebben voor de herregistratie.13 Voor wat betreft de vakinhoudelijke PE sluit het LRGD aan bij de eisen die de (zelfstandig kwalificerende) beroepsvereniging daaromtrent stelt.14
In het licht van hetgeen ik daar in § 5.6.6 en § 6.3.4.2 over heb opgemerkt, waardeer ik het als positief dat het LRGD een PE-verplichting heeft. Zowel vakinhoudelijke kennis als kennis omtrent de juridische aspecten van het optreden in rechte moeten immers op peil worden gehouden. Het valt mij evenwel op dat er in het huidige PE-systeem geen garanties zijn dat de deskundigen zich ook effectief inzetten gedurende deze PE-activiteiten. Om tot accreditatie van een juridische opleiding of cursus over te gaan, vereist het LRGD namelijk niet dat die opleiding of cursus wordt afgerond met een vorm van examinering.15 Om te voorkomen dat de deskundigen de opleidingen en cursussen uitsluitend als een verplicht nummer beschouwen waar zij zich ook met geheel andere zaken kunnen bezighouden, zou een vorm van examinering een voorwaarde moeten zijn om een opleiding te accrediteren.16 Datzelfde kan worden gezegd van de vakinhoudelijke PE. Het LRGD laat de vakinhoudelijke PE over aan de relevante beroepsvereniging. Het LRGD eist van zo een beroepsvereniging weliswaar dat die een PE-verplichting heeft, maar eist niet dat die beroepsvereniging haar leden periodiek – bijvoorbeeld eens in de drie of vijf jaar – toetst op de vakinhoudelijke kennis. Ik zou het LRGD willen aanbevelen om een vorm van periodieke examinering toe te voegen aan de eisen om een beroepsvereniging als ‘zelfstandig kwalificerend’ (zie hieronder in § 7.3.3.1) aan te merken. Periodieke examinering oogt ietwat schools en kan voor een deskundige wellicht ongemakkelijk of confronterend zijn, maar is wel nodig om zoveel mogelijk te borgen dat de ingeschreven deskundigen over de vereiste deskundigheid beschikken.17 Dat controleren en borgen van die deskundigheid is toch het uiteindelijke doel van een deskundigenregister.