De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/5.5.1:5.5.1 De maatschappelijke positie van partijen tot X/Gemeente Amsterdam
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/5.5.1
5.5.1 De maatschappelijke positie van partijen tot X/Gemeente Amsterdam
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583338:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, r.o. 3.4 (Groen/Schoevers).
Zie onder meer: Trap, ArbeidsRecht 2007/24, p. 6.; Boot 2004, p. 66. Zie over het standpunt van Boot kritisch: Loonstra, SR 2005/17.
Boot 2005, p. 64.
Verhulp, SR 2005, 16, p. 6.
Verhulp, SR 2005, 16. Overigens is Verhulp inmiddels op dit standpunt teruggekomen, zie: Verhulp, TRA 2021.
Jansen & Loonstra, TAP 2010/1.
Trap, ArbeidsRecht 2007/24, p. 6.
Trap, ArbeidsRecht 2000/45. Dit aspect komt in paragraaf 6.4.2 uitgebreider aan bod.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Over de betekenis van de maatschappelijke positie van partijen heeft lange tijd onduidelijkheid bestaan. Het enige civielrechtelijke kwalificatiearrest met een verwijzing naar de maatschappelijke positie van partijen was Groen/Schoevers, waarin werd overwogen:
Door op grond van deze overwegingen — waarbij de Rechtbank kennelijk mede rekening heeft gehouden met de maatschappelijke positie van Groen en met name in aanmerking heeft genomen dat de wijze van betaling van de tegenprestatie op zijn initiatief is tot stand gekomen — in onderling verband bezien tot de slotsom te komen dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan, heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.’1
De Hoge Raad heeft in Groen/Schoevers dus niet expliciet overwogen dat de maatschappelijke positie van partijen zonder meer een rol speelt bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Uit de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging valt enkel op te maken dat de rechtbank in Groen/Schoevers geen blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door dit element mee te wegen. Op basis van Groen/Schoevers was dan ook niet duidelijk of de maatschappelijke positie standaard moest worden meegewogen, en zo ja, welke rol dit element dan speelde.
In de literatuur van voor X/Gemeente Amsterdam werd de maatschappelijke positie van partijen met name in verband gebracht met de waardering van de partijbedoeling.2 Zo maakte Boot uit de kwalificatierechtspraak van de Hoge Raad op dat de maatschappelijke positie van partijen met name in twijfelgevallen van betekenis is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst:
‘indien sprake is van een zwakke maatschappelijke positie (…) dan blijkt te worden gekeken naar de feitelijke situatie hetgeen vaak tot gevolg heeft dat een arbeidsovereenkomst aanwezig is; is sprake van een sterke maatschappelijke positie (..) dan blijkt de vastgelegde partijbedoeling (vaak leidend tot de conclusie dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst) doorslaggevend.’3
Boot wees erop dat de Hoge Raad daarmee in feite ongelijkheidscompensatie betracht, door bij de beantwoording van de kwalificatievraag te onderzoeken welke (maatschappelijk zwakkere) werkenden arbeidsrechtelijke bescherming behoeven. In lijn hiermee merkte Verhulp over het verband tussen de maatschappelijke positie van partijen en de partijbedoeling op:
‘De economisch en maatschappelijk zwakke, afhankelijke, werker wordt (eerder en ook tegen zichzelf) in bescherming genomen in het geval hij een opdrachtovereenkomst sluit en daarmee afziet van de arbeidsrechtelijke bescherming die hij maatschappelijk gezien nodig heeft.’4
Wanneer de situatie noopte tot bescherming c.q. ongelijkheidscompensatie van de zwakkere contractspartij, moest volgens Verhulp dus minder (of zelfs: geen) betekenis aan de partijbedoeling toekomen. Andersom betekende dit volgens Verhulp ook dat partijen met een sterkere maatschappelijke positie meer vrijheid zouden hebben om te beslissen hoe zij hun werkcontracten vormgeven. Kortom:
‘De zwakke contractspartij moet worden beschermd, de sterke moet het zelf maar weten.’5
In feite bepaalde de maatschappelijke positie van partijen in deze benadering welk beginsel prevaleerde: ongelijkheidscompensatie of partijautonomie. Deze verbinding komt eveneens terug in de visie van Jansen en Loonstra, die vooropstelden dat het contractenrecht tot uitgangspunt neemt dat sprake is van ‘twee volledig geïnformeerde partijen vanuit een gelijkwaardige onderhandelingspositie’, die vanuit die gelijkwaardige verhouding in alle vrijheid tot wilsovereenstemming kunnen komen. Wanneer de verhouding tussen partijen uit balans is – zoals in werkgever-werknemer-relaties het geval pleegt te zijn – moet het contractenrecht de zwakkere partij in bescherming nemen tegen die ongelijkheid. Gelet op de centrale positie van het beginsel ongelijkheidscompensatie in het arbeidsrecht, meenden Jansen en Loonstra dat de partijbedoeling enkel een rol van betekenis kon spelen wanneer ‘contractspartijen in kennis, ervaring en deskundigheid (min of meer) elkaars gelijken zijn.’6
Wanneer wordt aangenomen dat een gelijkwaardige maatschappelijke positie van partijen meebrengt dat toepassing van het beginsel ongelijkheidscompensatie achterwege kan blijven, dan betekent dit in feite dat de ‘ongelijkheid’ in ‘ongelijkheidscompensatie’ wordt geduid door de ongelijkheid in maatschappelijke positie. Die constatering brengt ons enkel verder wanneer duidelijk is hoe die maatschappelijke positie moet worden geduid. Trap toonde zich om deze reden kritisch over de betekenis van de maatschappelijke positie van partijen, door hem omschreven als een ‘diffuus en polyinterpretabel begrip’ dat zich moeilijk juridisch sluitend laat definiëren.7 Zolang niet werd gespecificeerd hoe de maatschappelijke positie van partijen moet worden geduid, was de betekenis van dit element was volgens hem discutabel.Trap leek hooguit heil in dit element te zien wanneer de maatschappelijke positie zou worden gewaardeerd aan de hand van de mate van economische (on)afhankelijkheid.8