Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/4.4:4.4 Conclusie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/4.4
4.4 Conclusie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS450991:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 11.
In deel III van dit boek zal de werking van het vertrouwensbeginsel in EU-verband aan bod komen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vertrouwen dat op grond van het vertrouwensbeginsel in voorkomende gevallen wordt aangenomen kan een principiële, praktische of ordenende functie hebben. Het gaat in dit verband vooral om het vertrouwensbeginsel in normatief-beperkende zin dat tot een beperkte toetsing of beoordeling van rechtshulpverzoeken en verleende rechtshulp kan leiden. De praktische en ordenende functie van het vertrouwensbeginsel staan dicht bij elkaar, maar kennen niettemin een accentverschil: bij praktisch vertrouwen wordt een bepaalde taakverdeling aangehouden op meer inhoudelijke praktische gronden (waar is toetsing het eenvoudigst, welke autoriteit is daartoe het best in staat?), terwijl bij ordenend vertrouwen de verdeling in beginsel waardenneutraal is (ergens moet worden getoetst, waar doet niet ter zake). Wel geldt de intrinsieke waarde van het ordeningsperspectief, met aan de ene kant van de medaille de gedachte dat aan het plaatsvinden van toetsing belang wordt gehecht om tegemoet te komen aan een randvoorwaarde voor een juist en doelmatig rechtshulpverkeer, te weten dat de gerechtvaardigde belangen van de justitiabele worden bewaakt, en aan de andere kant van diezelfde medaille dat moet worden voorkomen dat doublures en overlap in de toetsing voorkomen, hetgeen weer tegemoet komt aan het eerder geformuleerde doel van rechtshulp, namelijk het vergemakkelijken dan wel mogelijk maken van de voltooiing van een strafrechtelijke procedure in de ene staat door het verlenen van bijstand door de andere staat. Deze twee aspecten krijgen ook in praktisch werkend vertrouwen een plaats en idealiter liggen de twee in elkaars verlengde: dubbele toetsing en omslachtige procedures worden voorkomen en waar toetsing wel plaatsvindt gebeurt dat op de meest ideale plaats door de daartoe meest geëigende functionaris.
De principiële functie staat verder af van de praktische en ordenende functie van het vertrouwen. Die principiële functie vindt haar oorsprong in de soevereiniteitsgedachte en vervult daarin een tweeledig doel. Enerzijds zorgen de totstandkoming en het bestaan van een rechtshulpverdrag en het daarop gebaseerde vertrouwen voor een beperking van de soevereiniteit. Anderzijds wordt die inbreuk echter ook direct begrensd, opnieuw door het verdrag en het daarop gebaseerde vertrouwen. Globaal spruit hieruit voort een werking van vertrouwen die aansluit bij het kernkarakter van elke vorm van rechtshulp en de intrinsieke taakverdeling die daaraan ten grondslag ligt: bij vervolgingsuitlevering vindt de berechting plaats in de verzoekende staat, bij overdracht ter executie heeft de berechting in de overdragende staat plaatsgevonden enzovoort. Deze functie van het vertrouwen benadrukt in beginsel vooral het karakter van rechtshulp dat in de doelomschrijving is terug te zien: het gaat om een vorm van hulp en bijstand tussen staten, maar de staat die in een bepaalde procedure de hoofdrol vervult behoort die te blijven vervullen. Zo staat bij vervolgingsuitlevering de berechting in de verzoekende staat voorop.
Een ander principieel accent legt het vertrouwensbeginsel waar het de toepassing van eigen recht betreft. De principiële redenering, elke staat dient zijn eigen recht te toetsen, zal in de meeste gevallen aansluiten bij de praktische redenering, dat elke staat het best in staat zal zijn het eigen recht te toetsen. In deze variant is het karakter van de samenwerking duidelijk terug te zien, maar ook de randvoorwaarde van het garanderen van gerechtvaardigde belangen kan er een plaats in krijgen. Elke staat neemt de verantwoordelijkheid voor toepassing van het eigen recht en veelal zal dat recht mede zijn gericht op het bieden van rechtsbescherming aan de justitiabele.
Nog nadrukkelijker komt dit laatste aspect naar voren bij het principiële vertrouwen dat de naleving van verplichtingen uit het rechtshulpverdrag betreft, aangezien dat veelal verplichtingen zijn – men denke aan het specialiteitsbeginsel – die (mede) het belang van de verdachte of de veroordeelde behartigen, en het vertrouwen dat de naleving van mensenrechten betreft. Bij die laatste vorm kan het vertrouwen ook weer een andere kant op werken: het bestaan van een mensenrechtenverdrag leidt tot een terughoudende toetsing en geeft weer meer nadruk aan het (meer praktisch of ordenend getinte) doel van een soepele en vlotte samenwerking. De opvatting dat het gezamenlijke grondgebied van bij een bepaald mensenrechtenverdrag aangesloten staten, zoals in het bijzonder het EVRM, een mensenrechtelijke ‘vrijzone’ vormt, waar linksom of rechtsom, in de ene of de andere staat de mensenrechten worden gegarandeerd heeft een sterk ordenend karakter. Een zuiver ordenende verdeling gaat evenwel te ver; elke EVRM-staat behoudt een eigen verantwoordelijkheid bescherming te bieden tegen schendingen van de meest fundamentele mensenrechten.1 Niettemin is de gedachte interessant omdat van een dergelijke ‘zone’ binnen de Europese Unie in nog sterkere mate sprake is, hetgeen betekenis heeft voor de werking van het vertrouwensbeginsel.2
De inzichten in dit hoofdstuk opgedaan zijn van toegevoegde waarde bij het opstellen van verdragen en wetgeving waarin vertrouwen een rol speelt en bij de uitvoering daarvan en de toetsing van concrete gevallen van rechtshulp. Door inzicht te hebben in de mogelijke functies van het vertrouwen, dus de rol die het vertrouwen speelt en de reden waarom van vertrouwen moet worden uitgegaan, en in concrete gevallen na te gaan welke functie het vertrouwen vervult, wordt het mogelijk na te gaan of het vertrouwen ook in dit geval of ook onder deze concrete omstandigheden moet worden aangenomen. Is de functie bijvoorbeeld vooral praktisch, dan kan worden beoordeeld of de omstandigheden zodanig zijn dat die praktische functie nog steeds steekhoudend is. In het verlengde daarvan is een betere inschatting te maken van de drempel die het vertrouwen opwerpt tegen bijvoorbeeld de toetsing van een bepaald aspect. Gaat het om de principiële functie van vertrouwen, bijvoorbeeld omdat enige toetsing de kern van het rechtshulpinstrument zou uithollen, dan is die drempel doorgaans betrekkelijk hoog. Relativering is in veel gevallen wel denkbaar als het om de praktische en al helemaal als het om de ordenende functie van het vertrouwen gaat. Deze inzichten kunnen aan de hand van deze dimensie vervolgens ook worden geëxpliciteerd: de rechter kan bijvoorbeeld expliciet overwegen dat hij uitgaat van de ordeningsfunctie van het vertrouwen daarom een bepaald onderdeel van de strafrechtspleging in de andere staat niet toetst. Een dergelijke overweging kan vervolgens bij een latere berechting in de andere staat aanknopingspunten bieden voor de verdediging om het betreffende punt aan de rechter voor te leggen en daarbij duidelijk maken dat het volgens de rechter in de andere staat ook echt aan hem is het punt te beoordelen. Het komt er al met al op neer dat kennis en explicitering van de functie van het vertrouwen degene die dat vertrouwen hanteert beter in staat stelt na te gaan hoe zwaar dat vertrouwen weegt, waar de grens daarbij moet worden getrokken en of relativering mogelijk is.