Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.2:5.5.2 De zaaksofficier en de tactische recherche
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.2
5.5.2 De zaaksofficier en de tactische recherche
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Concrete externe strafvorderlijke controle op hoofdzakelijk de van het TCI afkomstige informatie vindt plaats door de zaaksofficier en de tactische recherche. Zoals al eerder verwoord, doorloopt de van informanten afkomstige informatie eerst een interne route binnen het TCI voordat zij in afgeschermde vorm door middel van een TCI-proces-verbaal extern wordt verstrekt aan de tactische recherche. Hieruit vloeit voort, en dat is belangrijk om op te merken, dat bij de tactische recherche alsook de zaaksofficier alleen de informatie bekend is die in dit proces-verbaal is opgetekend en dat zij dus ook niet op de hoogte zijn van de identiteit van de informant. Het afschermingsbelang ligt hieraan ten grondslag. Opgemerkt is al dat dit belang meebrengt dat de TCI-officier de zaaksofficier maar zeer beperkt in kan lichten over de verrichte TCI-activiteiten. De TCI-officier zal slechts aan kunnen geven dat zich geen onrechtmatigheden hebben voorgedaan en dat hij achter het uitgegeven TCIproces- verbaal staat. De wetenschap van de zaaksofficier en de tactische recherche over de achtergrond van het uitgegeven TCI-proces-verbaal is dus per definitie (zeer) onvolledig. In die zin verkeren de zaaksofficier en de tactische recherche wat betreft hun informatiepositie dus in een min of meer vergelijkbare positie als de verdediging en de zittingsrechter.
Niettegenstaande het voorgaande rust op de schouders van de tactische recherche en de zaaksofficier de verplichting om de betrouwbaarheid van de in het TCI-proces-verbaal opgenomen informatie te controleren op het moment dat dit proces-verbaal voor de start van een opsporingsonderzoek en het toepassen van dwangmiddelen wordt gebruikt. Het in de inleiding van dit onderzoek besproken vierfasen model is hierop van toepassing en ook wordt verwezen naar de mogelijkheden van differentiatie in de aard en omvang van dit onderzoek die al beschreven zijn in het hoofdstuk over de anonieme tips. Anders dan bij de anonieme meldingen is de identiteit van de informant bekend binnen het TCI, wordt door dit onderdeel van de politie een inschatting gemaakt van zijn betrouwbaarheid en wordt bovendien getracht de betrouwbaarheid van de door hem verstrekte informatie te controleren alvorens het TCI-proces-verbaal wordt uitgegeven. Deze notie geeft enige kleur aan de omvang van het door de tactische recherche te verrichten aanvullende onderzoek, maar ontheft de tactische recherche tegelijkertijd niet van de plicht te allen tijde zoveel mogelijk inspanningen te verrichten om de TCI-informatie bevestigd te krijgen.
Blijft over het toetsen van de rechtmatigheid van het handelen van het TCI. Hierin schuilt een taak voor de zaaksofficier schuilt. Wat dat betreft komt echter weer heel sterk het punt naar boven dat vanwege het afschermingsbelang de TCI-officier de zaaksofficier maar zeer beperkt in kan lichten. Slechts kan worden aangegeven dat zich geen onrechtmatigheden hebben voorgedaan. De zaaksofficier zal feitelijk moeten vertrouwen op de juistheid van deze mededeling van zijn collega-officier. De wetenschap van de zaaksofficier over de achtergrond van het uitgegeven TCI-proces-verbaal is dus per definitie (zeer) onvolledig en in die zin kan de zaaksofficier de rechtmatigheid van het handelen van het TCI niet controleren.