Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.4:5.5.4 Politieke controle
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.4
5.5.4 Politieke controle
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1996-1997, 25 403, nr. 3.
Y. Buruma, Buitengewone opsporingsmethoden, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, Y. Buruma, ‘Stelselmatig, een sleutelbegrip in de Wet BOB’, NJCM-Bulletin 2000, p. 649- 658 en Y. Buruma, ‘Afspraken met criminelen’, D&D 1999, p. 584-600.
Dit volgt uit het zogenaamde Handboek voor de opsporingspraktijk. Zie hiervoor Stcrt. 2007, 239. Zie ook het in het jaar 2010 verschenen WODC-rapport ‘Opsporen onder Dekmantel’, te raadplegen via de website www.wodc.nl.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals uit de eerder besproken rapporten van de Commissies Van Traa en Kalsbeek volgt, heeft de politiek in de jaren 90 van de vorige eeuw het handelen en functioneren van onder meer de CID uitvoerig onder de loep genomen en hierop aldus concreet controle op uitgeoefend. In het onderstaande wordt, in aanvulling hierop, stilgestaan bij de uitdrukkelijke aanbeveling van de Commissie Van Traa om de omgang met informanten wettelijk te normeren. De politieke belangstelling lijkt in de daaropvolgende jaren echter afgenomen. Waarschijnlijk mede ingegeven door de (deels onterechte) gedachte dat als voortvloeisel van de bevindingen van genoemde commissies, de opspo ring (waaronder het handelen van het TCI) heden ten dagen afdoende is genormeerd en wordt gecontroleerd door onder meer de inwerkingtreding van de Wet BOB, de geconcipieerde richtlijnen en instructies en de herstelde gezagsrelaties. Politieke controle doet zich overigens incidenteel nog wel voor als Tweede-Kamerleden met betrekking tot het handelen van het TCI vragen stellen aan de verantwoordelijke ministers.
De Commissie Van Traa is stellig in haar aanbeveling over het gebruik van informanten: nu het een zeer complexe en met risico’s omgeven opsporingsmethode is, dient deze een wettelijke basis te krijgen. In de memorie van toelichting bij de Wet BOB is deze aanbeveling nader uitgewerkt: opsporingsmethoden die zeer risicovol zijn voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, dan wel die inbreuk maken op grondrechten van burgers, behoeven een voldoende specifieke wettelijke basis.1 Hoewel aldus de integriteit van de opsporing een belangrijke rol lijkt te spelen, geeft Buruma weer dat in de Wet BOB met name is getracht de opsporing ‘Straatsburg-proof’ te maken: het zwaartepunt ligt bij het in art. 8 EVRM neergelegde recht op privacy.2
Het hiervoor gestelde gaat ook op bij het runnen van informanten. In de memorie van toelichting bij de Wet BOB wordt gesteld dat een wettelijke basis alleen is vereist als bij het stelselmatig inwinnen van inlichtingen over een persoon een kans bestaat dat de privacy van die persoon wordt geschonden. Art. 126v Sv bepaalt vervolgens dat een bevel van de officier van justitie slechts is vereist indien een informant stelselmatig informatie levert over een verdachte of een persoon ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat deze is betrokken bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven. Aldus heeft de wetgever de door stelselmatigheid veroorzaakte privacyschendingen ook in de omgang met informanten voorop gesteld. Nu een informant niet snel stelselmatig inlichtingen inwint over iemands privéleven of dit in ieder geval moeilijk is in te schatten, is het bestaande praktijk dat nagenoeg alle informanten op basis van het algemeen taakstellende art. 3 Politiewet worden gerund.3 Gezegd kan worden dat hiermee een deel van de door de Commissie Van Traa voorgestane controle op het rechtmatige en integere handelen van het TCI niet tot stand is gekomen. Anderzijds kan betoogd worden dat met de gecreëerde controlemechanismen, door het hoofd TCI en de TCI-officier, de facto een zelfde vorm van controle lijkt te worden bereikt. Een leemte is wel ontstaan in de controle op het handelen en functioneren van het TCI in zijn geheel en daarom wordt verderop aanbevolen een toezichtscommissie in het leven te roepen. De noodzaak voor een dergelijke controlemechanisme bestaat gelet op onder meer de integriteitsaspecten en rechtmatigheidsvraagstukken die dit opsporingsinstrument omgeven.