Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.3.4:9.3.4 Openbare orde
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/9.3.4
9.3.4 Openbare orde
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS454029:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte kan de dynamisch-objectiverende wijze waarop de wettelijke termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ zijn uitgelegd worden gelegitimeerd vanuit het openbare-orde motief. Lezingen met als thema ‘God is het kwaad’ zoals die begin jaren dertig werden georganiseerd door de Communistische Partij, waren een aantasting van de godsdienstige gevoelens van een groot deel van de toenmalige bevolking. Dit gold ook voor de slogan ‘Christus op de mestvaalt, de heilige Maagd in de stal, de heilige vader naar de duivel’ zoals deze naar voren kwam in een artikel genaamd ‘Weg met het kerstfeest’ dat verscheen op 23 december 1930 in het blad van de Communistische Partij Holland, De Tribune.1 Om te voorkomen dat de openbare orde in gevaar zou komen beoogde het godslasteringsverbod de godsdienstige gevoelens van de meerderheid van de bevolking te beschermen. Het godsbegrip in het godslasteringsverbod moest daarom het godsbegrip omvatten van de godsdiensten van de meerderheid van de bevolking. Het openbare orde motief heeft in die zin bijgedragen aan het objectieve karakter van het godsbegrip. Dat het de wetgever met de invoering van het verbod in belangrijke mate ging om de collectieve gemoedsrust van de samenleving te bewaren blijkt uit het feit dat het delict in het Wetboek van Strafrecht is ondergebracht onder de titel ‘misdrijven tegen de openbare orde’.2
Vanuit politiek-filosofisch perspectief kunnen we de legitimatie voor de dynamisch-objectiverende uitleg van de termen ‘godslastering’ en ‘godsdienstige gevoelens’ niet zonder meer plaatsen binnen één van de politiek-filosofische ideaaltypen. Het confessionele motief lijkt in verband te kunnen worden gebracht met het communautaristisch ideaaltype. De wetgever geeft te kennen dat het doel van het verbod is het beschermen van het eigen terrein van gelovigen. Dit doel kunnen we associëren met het principe van soevereiniteit in eigen kring. De wetgever heeft echter een godsbegrip dat niet uitgaat van de opvattingen van het rechtssubject. Hij gaat met andere woorden niet uit van een gesubjectiveerd godsbegrip. Het is bijvoorbeeld niet zo dat aan het individu of een kerkgenootschap de vrijheid wordt gelaten om te bepalen wat de betekenis is van God. In plaats daarvan heeft de wetgever het over de concrete voorstellingen van God die in de maatschappij leven. Het subject is dus niet leidend maar de aan verandering onderhevig zijnde algemene opvattingen in de samenleving. Omdat we niet kunnen stellen dat er sprake is van een collectief-subjectiverende uitleg van de wettelijke term godsdienst kunnen we de uitleg van de wetgever niet plaatsen binnen een communautaristisch ideaaltype. De specifieke beperkingen dat het godsbegrip betrekking moet hebben op de monotheïstische godsdiensten en op de opvattingen van de meerderheid van de bevolking kunnen we associëren met het ideaal van het liberaal gezindtepluralisme. Daarmee worden immers singuliere, niet traditionele en excentrieke godsdienstige gevoelens van bescherming uitgesloten.