Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.9.a
3.9.a Recht op stukken I
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608326:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
General Comment 2007/32, onderdeel 49.
CRM 1 november 1991, nr. 230/1987 (Henry/Jamaica); CRM 8 april 1991, nr. 253/1987 (Kelly/Jamaica); CRM 31 maart 1993, nr. 282/1988 (Smith/Jamaica); CRM 1 november 1991, nr. 283/1988 (Little/Jamaica); CRM 24 maart 1993, nr. 320/1988 (Francis/Jamaica); CRM 23 maart 1994, nr. 333/1988 (Hamilton/Jamaica); CRM 8 juli 1994, nr. 355/1989 (Reid/Jamaica); CRM 25 maart 1993, nr. 356/1989 (Collins/Jamaica); CRM 29 maart 1994, nr. 377/1989 (Currie/Jamaica); CRM 25 november 1998, nr. 663/1995 (Morrison/Jamaica).
CRM 20 maart 2009, nr. 1418/2005 (Iskiyaev/Oezbekistan).
CRM 21 juli 1999, nr. 709/1996 (Bailey/Jamaica). Zie ook CRM 6 november 1996, nr. 572/1994 (Price/Jamaica), waarin de aanwezigheid van notities van het mondelinge vonnis het Comité er vermoedelijk toe brengen de klacht over de afwezigheid van een schriftelijk vonnis niet-ontvankelijk te verklaren.
CRM 27 juli 2010, nr. 1797/2008, NJ 2012/305, m.nt. Schalken (Mennen/Nederland).
CRM 24 juli 2014, nr. 2079/2011 (Timmer/Nederland).
CRM 29 oktober 1981, nr. 27/1977 (Pinkey/Canada); zie ook CRM 22 maart 1996, nr. 588/ 1994 (Johnson/Jamaica); CRM 31 maart 1995, nr. 662/1995 (Lumley/Jamaica).
Die opvatting vindt overigens ook niet uitdrukkelijk steun in het recht, maar het wel stellen van die eis lijkt mij ondenkbaar.
CRM 31 oktober 2002, nr. 864/1999 (Ruiz Adugo/Spanje).
Zie meerdere zaken tegen Jamaica en Trinidad & Tobago, bijv. CRM 21 maart 2002, nr. 580/1994 (Ashby/Trinidad & Tobago); en CRM 29 maart 2011, nr. 1758/2008 (Jessop/Nieuw Zeeland); General Comment nr. 32, onderdeel 49.
Onder meer CRM 21 maart 2002, nr. 580/1994 (Ashby/Trinidad & Tobago).
CRM 6 april 1989, nr. 210 & 225/1987 (Pratt & Morgan/Jamaica)
Het recht op beroep schept vooral verplichtingen voor de wetgever en de beroepsrechter. Daarnaast moet ook de lagere rechter zijn werkzaamheden afstemmen op de mogelijkheid van beroep, door te voorzien in een afschrift van het vonnis en een verslag van de terechtzitting. Het CRM formuleert dit in General Comment 2007/32 als volgt: “The right to have one’s conviction reviewed can only be exercised effectively if the convicted person is entitled to have access to a duly reasoned, written judgement of the trial court, and, at least in the court of first appeal where domestic law provides for several instances of appeal, also to other documents, such as trial transcripts, necessary to enjoy the effective exercise of the right to appeal.”1 Deze formulering is het resultaat van een bestendige lijn in de jurisprudentie van het Comité,2 en verdient nadere aandacht, te meer omdat uit artikel 2P7 EVRM een vergelijkbare verplichting niet voortvloeit.
Onder een schriftelijk vonnis verstaat het Comité uiteraard niet het oorspronkelijke exemplaar. Een kopie of scan ervan is voldoende, ook als daarop de handtekeningen van de rechters ontbreken, zo bleek in een zaak tegen Oezbekistan.3 In de zaak Bailey/Jamaica achtte het CRM de openbaarmaking van notities van een mondeling vonnis voldoende – “even if less elaborate than desirable”.4 Uit dit oordeel wordt niet duidelijk hoe uitgebreid het betreffende afschrift is geweest, kennelijk minder dan een regulier schriftelijk vonnis.
Van groter belang is wat het vonnis precies moet inhouden, oftewel de mate waarin een vonnis moet worden gemotiveerd. De zaak Mennen/Nederland springt hier in het oog. Dit oordeel – dat ook in paragraaf 3.10d nog aan bod komt – betreft een demonstrant die zich niet op bevel van een opsporingsambtenaar van de Betuwelijn wil verwijderen, waarop hij zich vanwege van een protest tegen de aanleg en ingebruikname van deze spoorlijn bevindt. De politierechter veroordeelt Mennen op tegenspraak – zijn advocaat was aanwezig, hijzelf niet – tot een geldboete van € 200,-. Het mondeling vonnis wordt niet uitgewerkt. Evenmin wordt een proces-verbaal van de zitting opgemaakt, nu gelet op het delict en de opgelegde straf ingeval van hoger beroep de verlofregeling van toepassing zou zijn (artt. 378 en 378a Sv). Wel beschikte Mennens advocaat enige processen-verbaal van de politie. Nadat Mennen hoger beroep heeft ingesteld, weigert de voorzitter verlof te verlenen. Tegen deze weigering keert zich onder meer de klacht dat een uitwerking van het vonnis in eerste aanleg niet toegankelijk was gemaakt.
Het Comité “notes the State party’s submission that the author’s counsel was provided with a number of official police reports on the case prior to his application for leave to appeal, without specifying their content and relevance to the verdict. The Committee, however, observes that these reports could not have provided guidance as to the motivation of the first instance court in convicting the author of a criminal offence, nor indication on what particular evidence the court had relied. The Committee recalls its established practice that in appellate proceedings guarantees of a fair trial are to be observed, including the right to have adequate facilities for the preparation of his defence. In the circumstances of the instant case, the Committee does not consider that the reports provided, in the absence of a motivated judgement, a trial transcript or even a list of the evidence used, constituted adequate facilities for the preparation of the author’s defence.”5 Het recht op beroep kan dus niet effectief worden uitgeoefend indien het gemotiveerde oordeel waartegen beroep wordt ingesteld voor de verdediging niet beschikbaar is. Daaraan kan het beschikbaar gemaakte dossiermateriaal niet afdoen. Een vergelijkbaar oordeel werd enkele jaren later gegeven in de zaak Timmer/Nederland.6
Het hiervoor weergegeven citaat uit General Comment 2007/32 en de twee zaken tegen Nederland maken voorts duidelijk dat het Comité belang hecht aan de beschikbaarheid van “other documents” dan het vonnis, in het bijzonder een proces-verbaal van de terechtzitting. Meerdere oordelen bevestigen dit.7 De formulering van het General Comment – die niet in duidelijkheid uitblinkt – lijkt dit recht op overige documenten primair (of alleen?) op de verhouding tussen eerste aanleg en hoger beroep toe te passen. In elk geval geldt het recht op stukken niet voor klachten over nationale berechting bij het CRM zelf.8
Het CRM stelt in dit verband mogelijk hoge eisen aan de griffier, zoals de zaak Ruiz Adugo/Spanje doet vermoeden. In deze zaak werd geklaagd over de afwezigheid van een letterlijk transcript van hetgeen de getuigen, de deskundigen en de procespartijen ter terechtzitting hadden verklaard. De beschikbaar gemaakte samenvatting volstond volgens klager niet. Het Comité, dat deze klacht zoals de Spaanse staat voorstelde in alle redelijkheid had kunnen afdoen door te oordelen dat artikel 14 lid 5 geen letterlijk verslag vereist,9 overweegt “that the author has not demonstrated in what way he was caused harm by the absence of such a document” en acht de klacht ongegrond.10 Aldus lijkt de afwezigheid van een woordelijk verslag enkel problematisch als de verdachte daardoor daadwerkelijk is benadeeld. Ik kom hierop terug.
Binnen welke termijn vonnis en proces-verbaal beschikbaar moeten worden gemaakt is door het Comité niet geëxpliciteerd. Het recht op stukken wordt door het Comité in de sleutel gezet van de effectieve uitoefening van het recht op beroep. Of dat ook betekent dat de verdachte ten behoeve van het instellen van beroep aanspraak moet kunnen maken op deze stukken, is op grond van de jurisprudentie evenmin te zeggen. Overigens wordt door het Comité niet alleen een termijneis gesteld aan het beschikbaar maken van vonnis en proces-verbaal. Ook de beroepsprocedure zelf mag niet onredelijk veel tijd vergen en bovendien niet onredelijk lang na het instellen van beroep aanvangen. Naast de duur van de behandeling in beroep, hecht het Comité in dat verband belang aan de proceshouding van de klager en de complexiteit van de zaak.11 Het is niet ondenkbaar dat de tweede factor ook bij de hier aan de orde zijnde termijnbeoordeling een rol speelt. Vanzelfsprekend is “inadequate staffing or general administrative backlog” hierbij geen factor van belang.12
Hiervoor is steeds gesproken over het recht dat vonnis en proces-verbaal beschikbaar worden gemaakt. Of bijvoorbeeld het ter inzage leggen van die stukken reeds voldoet, of dat vereist is dat de stukken ook aan de verdachte (en zijn advocaat) worden toegezonden, leren de oordelen van het CRM niet. Wel verdient hier opmerking dat in een ouder oordeel over deze materie het Comité erop heeft gewezen dat de verantwoordelijkheid van de staat om op tijd processtukken beschikbaar te maken “neither [is] dependant on a request for production by the accused in a trial nor is non-fulfillment of this responsibility excused by the absence of a request from the accused”.13 De veroordelende rechter komt wat betreft het opstellen van de stukken in elk geval dus geen afwachtende houding toe.