Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.2.1.2
6.2.1.2 Casuspositie 1: Autokosten (BNB 1979/311)
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661375:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Gebaseerd op HR 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311. Een variant op deze casus biedt BNB 2000/330 (zie paragraaf 6.2.1.4), die vergelijkbaar is met BNB 1979/311 op het punt van de individueel verstrekte informatie en het beoordelingskader van de Hoge Raad, maar daarvan afwijkt omdat in BNB 2000/330 wel aan het dispositievereiste is voldaan.
BNB 1979/311 ziet op de Wet IB 1964. Vgl. art. 6.17 Wet IB 2001 en over deze problematiek recenter in Hof Arnhem-Leeuwarden 24 augustus 2021, nr. 20/00404, V-N 2021/53.1.1, r.o. 4.6-4.7.
Zie voor de standpunten van de Belastingdienst in BNB 1979/311 en de verwijzingszaak Hof 's-Hertogenbosch 29 februari 1980, nr. 2320/1979, BNB 1981/95.
Zie BNB 1979/311 en de verwijzingszaak Hof ’s-Hertogenbosch 29 februari 1980, nr. 2320/1979, BNB 1981/95.
Casuspositie
Type voorlichting
Communicatiewijze
Aard
Tekortkoming
Beroep op vertrouwensbeginsel
1. Autokosten1
Telefonische inlichting
Gesproken tekst
Individueel
Onjuiste inlichting
Slaagt niet (dispositievereiste)
De situatie
Een invalide man maakt autokosten. Onder het destijds geldende recht mogen kosten die verband houden met invaliditeit onder voorwaarden in aftrek worden genomen als buitengewone lasten.2 Het is voor de man onduidelijk hoe hij de aftrekpost moet berekenen en hij neemt hij telefonisch contact op met de Belastingdienst. Volgens hem is de uitkomst van het gesprek met de Belastingdienst dat hij de eerste 15.000 km voor eigen rekening neemt en al het meerdere tegen een bepaalde kilometerprijs in aftrek mag brengen. Bij het opleggen van de aanslag accepteert de inspecteur de aftrekpost echter niet geheel. Mag de man vertrouwen op de verstrekte informatie?
Standpunt Belastingdienst, burger en belastingrechter
Belastingdienst: Volgens de inspecteur is er geen afspraak gemaakt, maar een algemene inlichting gevraagd.3 Ambtenaren doen niet zomaar toezeggingen. De ambtenaar die hem heeft gesproken kent zijn specifieke situatie niet. In de verwijzingsprocedure verklaart de ambtenaar dat hij het volgende heeft gezegd: ‘De kosten van de eerste 15 000 km zijn (…) in elk geval niet aftrekbaar, de overige kosten zouden als buitengewone lasten aftrekbaar kunnen zijn als het kosten ter zake van ziekte of invaliditeit zijn; vul het zo maar in op de aangifte, dan zal het bij de aanslagregeling wel worden bezien.’4 De inspecteur heeft een deel aftrek toegestaan, hoewel dat volgens hem nog te hoog is.Burger: De burger nam telefonisch contact op over de wijze waarop hij de berekening van de aftrekpost moet maken. De ambtenaar met wie hij had gesproken kende zijn situatie. De man doet aangifte op de besproken wijze en voegt berekening en toelichting bij. In de aanslag gaat de Belasting hieraan geheel voorbij. De man vraagt zich af of het zin heeft om met de Belastingdienst in overleg te gaan. ‘En überhaupt, als telefonisch contact in dit geval van geen waarde is, waarom dan die dure reclame op de t.v.’, aldus de man.Belastingrechter: De Hoge Raad formuleert in dit arrest het beoordelingskader voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting. Voorop staat dat niet voor elke uitlating van de Belastingdienst een juiste wetstoepassing opzij moet worden gezet. In dat kader moet het legaliteitsbeginsel worden afgewogen tegen het vertrouwensbeginsel. Bij uitlatingen waarin slechts sprake is van een inlichting en niet een toezegging (zoals in deze zaak) weegt het legaliteitsbeginsel zwaarder, waardoor de Belastingdienst in de regel door onjuistheden in de uiting niet wordt gebonden. Afwijking van die regel is slechts mogelijk indien de belastingplichtige voldoet aan (i) het niet-kenbaarheidsvereiste en (ii) het dispositievereiste (paragraaf 4.3). Deze risicoverdeling dient het belang dat zowel de Belastingdienst als de belastingplichtige erbij hebben dat de Belastingdienst zijn voorlichtende taak onbelemmerd en zo ruim mogelijk kan vervullen. Nu de autobezitter niet aan (ii) het dispositievereiste voldoet (enkel nakomen van wettelijke aangifteplicht, geen sprake van voortbouwen), wordt de inspecteur niet aan de onjuistheid in de inlichting gebonden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Het juridisch perspectief en het burgerperspectief
Juridisch perspectief: Vanuit dit perspectief kan de uitkomst dat de man niet mag vertrouwen op de inlichting worden verklaard. Hij voldoet immers niet aan de voorwaarden die de belastingrechter stelt om de bij hem gewekte verwachtingen te honoreren.Burgerperspectief: Vanuit dit perspectief is de uitkomst niet hetzelfde, althans niet zonder meer. Het communicatieve doel van het gesprek was om informatie te geven respectievelijk krijgen over de berekening van een aftrekpost. De burger interpreteert de uiting als advies. Ook al was het geen afspraak, het ligt voor de hand dat de burger gegeven de context niet anders handelde dan hoe de ambtenaar hem had geïnformeerd. Communicatief bezien is de Belastingdienst gebonden aan zijn advies en kan hij niet opeens anders daarvan terugkomen. Kanttekening is dat de ambtenaar bij de uiting een vorm van hedging heeft toegepast (de beoordeling volgt bij aanslagregeling). Toch blijkt die hedge voor de burger hier niet (voldoende) effectief, zo illustreert zijn gang tot aan de hoogste rechter. Een theoretische verklaring kan zijn dat, gezien de context, de deskundigheid van de zender en het communicatieve doel van het gesprek, niet wordt geaccepteerd dat de Belastingdienst een inhoudelijk onjuiste uiting doet waarvoor hij niet volledig wil instaan. Bovendien betekent de hedge voor de ontvanger niet dat hij de uiting moet negeren – integendeel, de informatie is kennelijk zodanig relevant dat de zender deze, ondanks een bepaalde onzekerheid, tóch geeft (paragraaf 5.7.3). Het is dus goed te verklaren dat de autobezitter het advies opvolgt en niet acceptabel vindt dat de Belastingdienst zich achteraf onttrekt aan (volledige) nakoming van de inhoud ervan met als rechtvaardiging dat de gedane uiting geen ‘afspraak’ of ‘toezegging’ inhield.
Confrontatie van perspectieven
Deze casuspositie toont een conflict in gebondenheid aan de uiting, waarbij (net zoals in casuspositie 4) – een vorm van hedging een rol speelt. De hedge weerhoudt de burger er echter niet van de Belastingdienst (geheel) te willen houden aan zijn uiting. Ik kom daarop apart terug (paragraaf 6.2.2, 6.2.4.3). Bovendien legt deze casuspositie een ander probleem bloot: er kunnen verschillende visies bestaan op hetgeen is gezegd. De burger en de ambtenaren hebben daarvan een ander beeld. In het juridisch perspectief komt het aan op bewijs: de burger die zich op het vertrouwensbeginsel beroept moet stellen en vervolgens aannemelijk maken dat aan hem een bepaalde uiting met een bepaalde inhoud is gedaan, waaraan hij een in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen. Hier speelt echter, zeker bij mondeling verstrekte informatie, bewijslastproblematiek een rol. Het kan voor de burger moeilijk, en in voorkomende gevallen onmogelijk, zijn om achteraf te bewijzen welke uiting de Belastingdienst precies heeft gedaan, in het licht van welke vraag en welke informatie van de burger (paragraaf 4.3.6). De Belastingdienst en burger hebben elk hun eigen interpretatie van het gesprek, terwijl achteraf vaak niet kan worden gecontroleerd wat precies is gezegd. En wiens woord weegt dan het zwaarste? Als de bedoeling van de Belastingdienst als uitgangspunt wordt genomen, zoals in deze zaak, kan buiten beeld blijven hoe de gemiddelde burger de uiting heeft opgevat. Tot slot toont deze situatie de afbakeningsproblematiek tussen (niet-bindende) inlichtingen en (bindende) toezeggingen (paragraaf 4.6.1).