Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§6.2.:§6.2. Historische ontwikkeling
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/§6.2.
§6.2. Historische ontwikkeling
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De paragraaf over de historische ontwikkeling kan in dit hoofdstuk betrekkelijk kort blijven. Voor een aantal van de in dit hoofdstuk te bespreken controlemechanismen geldt dat deze van zeer recente datum zijn. Het enquêterecht kende in art. 148 Gemeentewet-1931 weliswaar een soort voorloper in de mogelijkheid inlichtingen te vorderen van alle aan het gemeentebestuur ondergeschikte ambtenaren, maar dit recht was niet 'verzwaard' met de mogelijkheid ook gewezen bestuurders en ambtenaren te horen, laat staan onder ede. Bovendien kwam dit recht in algemene zin toe aan 'het gemeentebestuur', waarmee in het midden gelaten werd of dit recht toekwam aan de raad of aan het college. In de Gemeentewet-1992 keerde dit recht niet terug.
Alleen de verantwoordingsplicht uit art. 169 Gemeentewet heeft een iets uitgebreidere voorgeschiedenis. De Gemeentewet-1851 bepaalde dat burgemeester en wethouders wegens het dagelijks bestuur verantwoording schuldig waren aan de raad (art. 183 Gemeentewet-1851). In 1931 wilde de wetgever dit artikel op twee punten verduidelijken. Hiermee werd nadrukkelijk geen inhoudelijke wijziging beoogd, maar een codificatie van de heersende leer.1 Allereerst wilde de wetgever duidelijker tot uitdrukking brengen dat de verantwoordingsplicht ook gold voor het college als collectief. Dit moest blijken uit de nieuwe zinsnede: "De leden van het college van burgemeester en wethouders zijn, ieder afzonderlijk en te zamen, voor het door het college gevoerd bestuur (...) aan den Raad verantwoording schuldig". Of deze wijziging zijn doel bereikt heeft, kan worden betwijfeld, gelet op de discussie die is ontstaan over de zogenaamde 'orgaanverantwoordelijkheid' (zie paragraaf 5.4). De tweede wijziging was bedoeld om de verantwoordingsplicht nadrukkelijker dan voorheen af te bakenen tot de autonome bevoegdheidsuitoefening door het college. In de dogmatiek van die tijd werden medebewindstaken gezien als nationale taken, waardoor een verantwoording ten aanzien van de uitvoering daarvan door de gemeentelijke organen niet voor de hand lag. De verantwoordingsplicht werd in 1931 dan ook beperkt tot "het door het college gevoerd bestuur van de huishouding (cursief WvdW) der gemeente".
Nadat de Haarlemmermeerjurisprudentie (zie hoofdstuk 2) het onderscheid tussen autonomie en medebewind relativeerde en ook medebewindstaken als gemeentelijke taken werden gezien, lag het voor de hand de reikwijdte van de verantwoordingsplicht hierop aan te passen. Dit gebeurde dan ook in 1969.2Art. 129 Gemeentewet-1969 beperkte de verantwoordingsplicht niet langer tot de bestuurstaak ten aanzien van de 'huishouding', maar gaf aan dat de verantwoordingsplicht voor de gehele bestuurstaak van het college (dus ook met betrekking tot medebewind) zou gelden. Bij dezelfde wetswijziging werd tevens een verantwoordingsplicht voor de burgemeester als afzonderlijk orgaan geïntroduceerd.
Hoewel de redactie van de verantwoordingsplichten van het college en de burgemeester en haar plaats in de Gemeentewet in 1992 nog wijzigde, heeft er tot aan de dualisering geen wezenlijke verandering plaatsgevonden.